zaterdag 31 januari 2015

VERY NICE, VERY CHEAP!

Aan al de mensen die ongestoord op een terrasje van zuidelijk Tenerife een koffie willen drinken: doe dit voor 11 uur! Op dat moment loopt in El Fraila de leurderwekker af en  begint de werkdag van de Afrikaanse rommelverkopers en hun vrouwen. De kroezige zwarte vrouwen zijn getooid met veelkleurige Afrikaanse tenten. Diegenen die zich al meer geïntegreerd hebben dragen ‘caleçons’, liefst in vleesroze of allerlei vreemde kleuren. De ‘rekbroeken’ spannen over hun gigantische achtersten, die groter zijn dan Gran Canaria en Lanzarote samen. Zij zitten in groepjes bij elkaar op de  rand van de wandeldijken. Soms leunen ze, schaduwzoekend onder een palmboom, achterovergeperst in plastiek stoeltjes die waarschijnlijk mee omhoog komen als ze zich willen verplaatsen. Ze ronselen vrouwen en meisjes met lange haren. Ze vlechten lintjes, wol en pareltjes in de lange manen en proberen van de doorsnee vrouwelijke toeriste een karikatuur van Bo Derek te maken.  Na de ‘El Fraile wake up call’ verspreidt de zwarte leurderinvasie zich over alle wandelpromenades van Zuid Tenerife. Volgens ons bestaat er zelfs een zekere hiërarchie onder de rommelvertegenwoordigers. Een Afrikaan zit aan het begin van de dijk met een mobiel in aanslag. Als er ergens in de directe omgeving een Policia Local of een Guardia Civil  bespeurd wordt, gaat de Tenerifse tamtam  en verspreiden de illegale verkopers zich zo snel mogelijk in alle tegenovergestelde richtingen. Zelfs diegene die op dat moment met een lucratieve transactie bezig is, smeert hem als de bliksem.

De werkwilligen die als laatste aangespoeld zijn, moeten het eerste jaar tijdens een snelcursus verkoop, als een complete idioot rondlopen.  Op hun kroeskoppen staan petjes, met glanzend meerkleurige fluo hanenkammen, die ze trachten aan de man te brengen. Je moet als toerist al een zonnesteek opgelopen hebben om zo te willen rondlopen. Wij hebben tot hiertoe nog niemand zo’n hoedje weten kopen, laat staan dragen…zelfs niet met carnaval! Iets hoger op de handelaarladder staan de zonnebrilverkopers. Zij staan aan het begin van de wandeldijk en scannen de terrasjes naar juist ingevlogen bleekscheten. Alle ivoorkleurige en één dag roze verbrande armen en benen worden geregistreerd. Nog voor we de koffie van het terrastafeltje tot aan onze lippen kunnen brengen, schuifelen ze aan onze tafel voorbij en leggen hun koopwaar voor onze neus. “Need glasses sir?”Terwijl wij op onze eigen zonnebrillen wijzen, legt hij toch vol verwachting, een paar namaak Rayban’s en Versaces op het tafeltje.”Very nice, very cheap..” “No Gracias, thank you!” We mompelen wat tegen elkaar en prompt praat die ‘brillen- voyageur’ zeven andere talen. “Bril kopen meneer? Des lunettes Madame? Brillen kaufen, bitte? Maybe for the lady? Only ten euro! Ten euro is very, very cheap!”

Je kan je niet voorstellen hoe dikwijls we  “No gracias” moeten zeggen, voor we de koffie of de pint aan onze lippen kunnen zetten. De brillendealer wordt bijna opzij geduwd door de volgende vertegenwoordiger op de maatschappelijke verkoopsladder. De man die petten en broeksriemen verkoopt. “Nice caps and belts, very cheap Sir!” “No necesario, no gracias, no thank you.”  Hierna volgt de man die het tot superleurder geschopt heeft. De mooie afgeborstelde Afrikaan die rondloopt met een plateau glinsterende en glimmende uurwerken, armbanden en halskettingen. Het is al goud wat blinkt. Namaak Valentino, Tissot  en Guess worden aangeprezen.  Ik kan jullie nu al vertellen, dat wie bij hem een gouden uurwerk, armband of halsketting koopt,  na twee weekjes vakantie met een zilveren of metaalachtig verschenen prularia naar het thuisfront teruggaat. ”No gracias”. De laatste van de leurderoptocht is een gitzwart- kleurige man. Zijn ogen glinsteren als twee kooltjes in zijn gezicht. Zijn armen  hangen vol met hemdjes, rokken en pareo’s. In zijn handen draagt hij verschillende kleerhangers met lange jurken. Afdankertjes die de lokale winkeliers zelfs met hun rabajas-solden niet meer aan de straatstenen kwijt geraken. Als hij dan al niets verkoopt, dan maakt hij toch, door met de kleding over het grond te sleuren als ‘multitaskend’ alternatief, de tegels van de wandeldijk schoon.  Uit zijn rugzak tovert hij nog wat vrouwenniemendalletjes. Hij kan het niet weten, maar ik ben het al lang afgeleerd me in de Spaanse mini kleding te willen wurmen. Je zou wel een complete idioot zijn, moest je hier, op een overvolle promenade, jurken gaan passen! Ik gun het de overwinteraargemeenschap helemaal niet om na zulke verkleedpartij mijn opgekweekte spekrepen te becommentariëren. Dus: “No Gracias, no thank you, danke schön, merci en dank u wel!” 

De venters zijn nog vasthoudender dan de persmuskieten die achter Lady Di aansnorden. “You sure, very nice…beautiful T-shirts!” Manlief en ik negeren de Engels sprekende handelsreiziger en beginnen in een pseudo namaakklinkend Russisch tegen elkaar te brabbelen. Hij kijkt ons stomverbaasd aan. Je ziet zijn hersencellen knarsen, dit is een taal van een land waarvan hij het bestaan nog niet kende. Waar komen deze toeristen vandaan?

Eventjes denken wij dat wij aan de niet aflatende stroom wandelende marktkramers kunnen ontsnappen, maar aan het einde van de wandeldijk keert het rondrijzende volkstheater zich gewoon om. Als na tien minuten het letterlijke zwarte schaap van de Afrikaanse verkoop, met de papegaaien -verenpet, terug voor onze tafel staat en zijn koopwaar weer onder onze neus duwt, is voor ons de maat vol. Hoe dikwijls kan je vriendelijk “No gracias” en “thank you” blijven zeggen. Hoe lang kan je de ergernis bedwingen en “negermoppen” als opkomend zuur terugdringen?  “Het ziet zwart vanonder, het heeft één hersencel en heeft haren als een kaketoe?”  Het enige woord dat hij meegekregen heeft is “kaketoe”. “Yes, yes…kaketoe!” Terwijl hij met zijn hand bevestigend over de verschrikkelijk kleurige opstaande verenhoed strijkt, zie je dat hij ons als toekomstige carnavalgekken en mogelijke kopers inschat. De euro’s blinken in zijn kinderogen. “Yes, wanna buy, nice for carnaval?”

Grrr…Nog maar net hebben wij deze struisvogel afgewimpeld of de brillenleurder schuift terug voor onze zon. “Nice glasses, schöne Brille.” We kijken hem laconiek, over onze zonnebrillen aan. Een rij witte tanden verschijnt in zijn zwarte pieten gezicht als hij ons herkent. Hij grinnikt vriendelijk:  “No brillen today, maybe morgen?” Give me high five en hij klapt lachend zijn chocoladebruine vingers tegen onze witte hand. Naast ons op het terras zitten twee oudere bruine, door de zon gekreukelde en gerimpelde dames. Zij kennen deze venter al sinds jaren en zij doen geen moeite meer om hem in het Spaans of Engels aan te spreken. “Awel menneke, moete gai gien koffeke hebbe?” De Afrikaan laat zich glimlachend bij de dames achter een cappuchino neerzakken. “Slechten bisuness today, menneke?” “Yes crisis in Spain and tourist not buy.. no good for my two wives and four kids!”.  Het is een mysterie hoe deze Oom Tom met zijn magere verkoop,hiervan  twee vrouwen en vier kinderen  kan onderhouden. In september koop ik in Zuid Frankrijk, in de soldentijd, alle zonnebrillen van 3 stuks voor 5 Euro op. Ik vul er een volledige koffer mee, sleep ze door de douane en als ik tegengehouden word, vertel ik hen, dat manlief alle twee dagen boven op een zonnebril gaat zitten of er minstens één verliest (en dan ben ik met mijn uitleg niet ver naast de waarheid).  Ik ga hier op de wandeldijk de boel aan 10 Euro per stuk verkopen. Ik zal mijn gezicht wat zwart maken en kan dan in zeven talen de boel proberen te bedonderen. Misschien zet ik voor de lol wel zo’n papegaaiennest op mijnen bol.  Laat ons hopen dat ik dan, na een paar dagen intensieve leurderpraktijken,er onze vliegtickets mee kan terug verdienen! 

Sim, Costa del Silencio       2/2/2015




donderdag 29 januari 2015

COSTA DI FLAMINGI





Nadat wij nu al een aantal jaren op Tenerife aan de zuidelijk gelegen Costa del Silencio overwinteren, lijkt het voor ons een beetje op een jaarlijks thuiskomen.

Het hotel dat al sinds zeven jaar, na een faillissement, nog steeds in de eerste bouwfase staat, lijkt jaarlijks meer en meer op een open, skeletachtige ruïne. De Canaries mikken nog steeds hun sigarettenpeuken in de bloemperken, zodat er tussen de lavakorrels en de zorgeloos bloeiende bougainvillea, de hibiscusstruiken, de yucca’s en de palmbomen al een hele filterasbak ontstaan is. Ja, wat maakt een beetje meer of minder as uit op dit vulkaaneiland… Overal in ons vakantiecomplex hangen er grote viertalige aanplakborden waarop staat, dat op straffe van een flinke geldboete,  men de hond alleen aan de lijn mag uitlaten en de uitwerpselen door de eigenaars moeten opgeruimd worden. Zulke regelgeving wordt door de ‘locals’ finaal genegeerd. Overal zie je onaangelijnde kleine keffermormels, liefst in het midden van het witte betegelde voetpad , vrolijk hun stinkende drollen leggen. De Urbanisatie is en blijft nog steeds het loslopende kattenwalhalla.  Ook de Duitse rolstoel invalide woont nog steeds aan de overkant van ons vakantiehuisje. Elk jaar wordt zijn voorhoofd groter, zijn vieze miezerige paardenstaartje langer en ziet zijn huid er meer en meer verschrompeld en grauw uit. Soms krijgt hij bezoek van een andere leegloper en denkt hij plots dat hij een diskjockey is.  Terwijl we zelf op ons terras, in de zon trachten een siësta te houden, vergast hij ons minstens één maal per week op een Woodstock- achtige plaatjesdraaierij. Nu valt de keuze van zijn muziek, die het midden houdt tussen Duitse schlagers en Englebert Humperdink,  nog min of meer mee, maar toch... Naargelang de namiddag vordert en het bier waarschijnlijk alle hersenactiviteit uitveegt, gaat het geluidsniveau stilaan over in festivalmodus. Ik denk dat zijn gehoor afneemt in evenredigheid met zijn alcoholinname.  Ik veronderstel dat daarentegen zijn reukzin en intuïtie meer ontwikkelen, want blijkbaar ruikt hij mijn toenemende ergernis. Juist als ik vind, dat het genoeg is geweest en bijna als een Vlaamse furie wil opveren, lijkt het alsof  Tom Jones van het festivalpodium afdondert, zich in zijn “Green, green grass of home” verslikt en er volgt opeens een aangename stilte.
De Costa del Silencio is het vakantiegebied naast het oorspronkelijke Tenbel (Tenerife-België) complex. De Vlamingen hebben hier vermoedelijk, in het verleden, massaal met zwart geld, witte huisjes en appartementjes, als tweede verblijf aangekocht. In het vakantiecomplex waar vroeger alleen Vlaamse, Engelse en Duitse toeristen overwinterden, wonen nu sinds de crisis meer en meer de Canaries zelf. Overal op de daken staan nu antennes naar TV Canaria en Spanje gericht en zijn wij hier de allochtonen die met vlaaien van schotelantennes TV Vlaanderen binnenhalen. Er is een Belgische bakker, een Vlaamse dokter en een Nederlandstalige tandarts. Verschillende Vlamingen hebben het druilerige België achter zich gelaten en begonnen hier een café of restaurant. In Las Galletas, het vissersdorpje op wandelafstand, staan verschillende menuborden broederlijk naast elkaar. De Engelsman kan hier voor 2.5 Euro zijn gigantisch English breakfast eten waarna hij waarschijnlijk voor de rest van de dag geen ‘porridge’ meer kan zeggen. Iedere  nieuw aangevlogen toerist kan hier, zonder problemen, zijn eigen landsdieet voortzetten. Er worden English Roast, of lambchops with mintsauce aangeprezen.  Het konijn met pruimen, frieten met stoofvlees, witlof met hesp en kaas, trekt de doorsnee ‘dagelijkse kost etende’ Belgische reiziger over de streep. Alles is voor een prikje voorhanden: een China town buffet, Wiener Schnitzel, verse Hollandse stroopwafels, pizza, paella, papas canarias con mojo, tapas, schelpdieren ,of vers gevangen en gegrilde vis, gambas en inktvissoorten.  Een kilometer voorbij Las Galletas heb je de nederzetting El Fraila. In de goedkopere huizen wonen hier alle bevolkingsgroepen die eindigen op ‘alen’ en ‘anen’. Zwarte Afrikanen, Zuid Amerikanen, Illegalen, marginalen en sinds een paar jaar, omdat wij, Vlamingen ons nog meer zouden thuis voelen, Marokkanen. Om ons geen heimwee te laten krijgen, heeft El Fraila sinds een paar weken na het ‘Charlie Hebdo’ drama, nu ook hun eigen ‘M.terrorist’.  We mogen het kind niet meer bij de naam noemen, want dan worden wij als racistische stoorzenders aangeduid. Wij hebben ze samen mee in bad genomen, hun alle onderwijsmogelijkheden aangereikt, hen mee van onze sociale pot laten snoepen en ze langs alle kanten gepamperd. Het enige dat wij van hen verwachtten, was dat ze zouden integreren. Dat ze een zekere verdraagzaamheid zouden opbrengen voor onze westerse waarden en normen, tolerant zouden zijn voor onze vrije meningsuiting en onze soms bizarre uitdagende vorm van humor. Maar lange Arabische tenen hebben niet veel nodig. Als dan, zoals hier een dolgedraaide godsdienstwaanzinnige “Allah Akbar” roepend een medemens neersteekt, hebben ze nog het lef, om met hun frustrerende vinger, ons als schuldige aan te duiden. . De Tenerifse politie, kon de messentrekker na een klopjacht inrekenen en vroeg prompt  daarop hun autoriteiten onmiddellijk om kogelvrije vesten uit vrees dat ook hier de terreurboel zou escaleren.
Op de wandeldijk van Las Galletas, zitten de meeste overwinteraars en toeristen van hun Barraquito,Sangria, Mojito of pint Duvel te genieten.  Als we op de promenade een tafeltje bemachtigd hebben en van onze ‘jarra’ een halve liter bier voor 1Euro, zitten te genieten, kunnen we aan het becommentariëren van de stroom wandelaars  beginnen. Het is niet raadzaam deze opmerkingen te luid te verkondigen, want de Vlaamse spionkop luistert mee. Er is duidelijk verschil te bemerken tussen de half naakte zonnende Europese toeristen en de oorspronkelijke inwoners. Voor de Canaries is het nog duidelijk winter. Ze dragen laarzen, lange broeken, dikke truien en hebben meestal nog een anorak over de arm gedrapeerd. We zien ineens de hoofden van de Antwerpenaars van het terrastafeltje naast ons, dezelfde richting uitgaan. Aan het begin van de dijk komt een oudere moslima, met een hoofddoek en djellaba in een hevige grasgroene kleur aangeslenterd.
“Zie naa, Marie, tis greun en twaggelt, hahaha ne Marokkaanse Kermit de Kikker!”
Achter de seniorenversie,  loopt pa-Mo met een paar koters aan de hand, in een mouwloos T-shirtje van de zon te genieten. Een paar passen achter hem, drentelt ma-Fatima, met dikke buik. Ze is gesjaald en volledig omwikkeld met de overgordijnen,  zodat ze zonder veel problemen de ergste Tenerifse zandstorm zou kunnen trotseren. “Hiersè, Louisa” fezelt de Antwerpenaar: “Een poar vanachter onzenoek, hoe zouwe die hier kome?” “Assevan ’t Kiel of Borgerhout zen, mè tram 24 hé, Eugène, of mè den 12 asse van sintjansplain komennée” Miljaarde godverdoeme, Marie, hier zitte zoekkal”
Deze Spaans- Marokkaanse mensen kunnen misschien de allerliefste, vriendelijkste en misschien tolerantse toekomstige buren zijn, maar van enige westerse geboortebeperking of kledingintegratie is er tot op heden nog niet veel te bespeuren. De overwinteraars beseffen maar al te goed dat de ‘grotemensenspeeltuin’, onder de lappen stof, sneller kweekt dan het babyuniversum en het pamperparadijs aankunnen. De Antwerpenaren en Brusselaars weten uit ondervinding, dat eens de theelokalen en de waterpijpcafés zich tussen de Belgische bakker en de Engelse pub in wringen en de lokale tapas bar vervangen wordt door een ‘pita-shoarma take away’ het vijf voor twaalf is. De Costa del Silencio, hun Costa di Flamingi zal binnen de kortste keren veranderen in het Hallal- paradijs. Wij laten de sakkerende Vlamingen achter ons en slenteren door de winkelstraat. In de etalage staat, onder de plakkaat ‘Rabajes’ een paspop met een prachtig, met papegaaien en palmbomen versierd, exotisch, veelkleurig afgeprijsd haltertopje. Het doet aan passionele nachten vol seks denken. Manlief blijft afwachtend voor de ingang van de boetiek rondhangen terwijl ik met een rotvaart het pashokje induik. Terwijl ik het Spaanse ‘taille unique’ bloesje over mijn hoofd wurm, verander ik terstond in een ‘jungle bookachtige’ salami. Het niemendalletje verhult amper mijn kokosnoten en accentueert overdreven mijn Rubens spekrollen. De twee bandjes camoufleren nauwelijks de twee beginnende kippenfilets, die sinds een paar jaar onderaan mijn bovenarmen heen en weer wiebelen. Zuchtend hang ik het Spaanse kleine maatje terug in het rek. Als ik zonder aankoop buitenstap, schudt manlief vragend: “Nee?” Ik knik instemmend: “Nee de kleur stond me niet!”  Terug thuis zal ik mijn overwinteringgarderobe voor volgend jaar wel wat aanpassen en opnieuw aankopen bij mijn hofleverancier ‘Le Marinier’. Als ik bij ‘De Zeeman’ dan niets op de kop kan tikken, dan weet ik in Antwerpen nog een heleboel winkels waar ze djellaba’s, boerka’s en overgordijnen verkopen. 

Sim, Costa del Silencio  29/1/2015

 
 

maandag 19 januari 2015

COCKPITPRONOSTIEK






Om drie uur schalde de wekker door de stilte van de nacht. Slaapdronken wankelden wij richting badkamer en wurmden ons in onze kleren. Het licht werd in de living aangestoken, zodat de luchthaventaxi zonder problemen in de donkere nacht, het juiste afhaaladres kon vinden. Tien minuten later schenen  twee zaklampgrootte lichtbundels de donkere straat in tot juist voor onze deur. In de taxi zaten nog twee lijkbleke vermoeide, nog vroeger opgestane en afgehaalde vakantiegangers. In de ruimte schalde, op dit onchristelijk vroege uur, op de autoradio, een hypervrolijke Christof  het “Onze Vaderlied”, gevolgd door Hoziers’“Take me to the Church”.  Man, man, was het misschien het nachtelijk verzoekuurtje “vragen staat vrij” radioprogramma  van de geloofsgemeenschappen. Er ontbrak nog juist een islamitisch deuntje aan. Maar die geloofstak zou zich waarschijnlijk na de terreuraanslag van gisteren op het Parijse Charlie Hebdo tijdschrift, wel wat gedeinsd houden.


In de luchthaven was het op dit vroege uur nog behoorlijk rustig. Nadat wij onze koffers aan de incheckbalie afgegeven hadden, konden wij aan de eerste flinke wandeling naar de ‘boardinggate’ beginnen. We moesten enkele roltrappen naar beneden nemen, dan een tochtje langs de nog gesloten taxfree winkels maken, om dan vervolgens opnieuw met een paar roltrappen een paar verdiepingen omhoog te moeten gaan. Hier bevonden zich de ‘antiterreur controletroepen’. Hier scande men de handbagages en keek men met argusogen naar de vertrekkende passagiers. Onze computer moest uit de zak, de jassen en  broeksriemen uitgedaan en sleutels en munten uit de broekzakken gezocht. De rugzak waarin onze e-readers en allerlei oplaadsnoeren zaten, moest apart in een bakje gelegd worden. Alles werd gescanned, alsof wij mogelijk ergens een Kalashnikov , granaten of een volautomatisch afweergeschut verstopt konden hebben. Flesjes vloeistof moesten in de laatste afvalbak gedropt worden, met het gevolg dat een waterflesje dat je in Lidl of Aldi voor 25 eurocent gekocht had, na de terreurgrens plots 2,5 Euro kostte. De prijs van de vrijheid moest ergens betaald worden. Ik stapte onder de metaaldetector door en er weerklonk een onverwacht alarm. Onmiddellijk stormde een vrouwelijke agent mijn richting uit. Ze bekeek mij alsof ik een ‘semtexbom’ in mijn wandelschoenen of ergens anders, waar de zon niet schijnt, zou gestoken hebben. De agente beval mij om mijn extra trui uit te doen, de armen opzij te houden en begon mij af te tasten. Ik werd als mogelijke terrorist terug naar de onbeveiligde zone gestuurd.  Bij de tweede poging knipperde de boog nog steeds felrood en het alarmsignaal blèrde, dat ik nog steeds een mogelijke gevaarlijke terreurverdachte was. Toen zag de agente plots het horloge dat ik nog steeds rond mijn pols had.  Mijn schandalig, peperduur, op een markt in Zuid-Frankrijk aangekocht uurwerk dat wel een volle 5 Euro gekost had, bracht de luchthaven van Zaventem in rep en roer en in onmiddellijke staat van paraatheid. Nadat ik bij de derde poging, lawaailoos door het controlepoortje gegaan was, volgde manlief. Struikelend over zijn broekspijpen, hield hij angstvallig zijn broek omhoog, want zonder broeksband zakte die al snel onder zijn door hem “niet erkende” buik omlaag.

Eindelijk zaten wij in het vliegtuig richting Tenerife.  Het ‘boarding’ had een behoorlijke tijd in beslag genomen, want het merendeel van de passagiers, op een paar uitzonderingen na, hadden grijze permanentjes en kale hoofden. Senioren die de Belgische winter ontvluchtten en die met een slow motion tempo van een naaldslak, die in de processie van Echternacht mee stapte (twee passen vooruit en één achteruit) hun plaatsen in het toestel innamen. Zoals hondjes, die viermaal ronddraaiden alvorens zich in hun mand neer te vleien.

Ik ergerde mij al een beetje aan die blinde cijferanalfabeten die wel tot drie keer toe, met hun ‘boardingcard’ in de hand,  aan de hostess vroegen, of dit wel de juiste rij en de juiste stoel was. Ze staken hun handbagage in de bak boven hun hoofden alvorens twijfelend uit de midden rij te verdwijnen.  De wachtende passagiers drumden voorbij. Nog geen seconde later veerden de met Alzheimer-light geactiveerde reizigers terug op om hun handbagage opnieuw uit de bagageruimte te sleuren, de rij wachtende aanschuivende passagiers negerend, om de stewardessen te vragen of dit wel degelijk de juiste plek was.. De bacillenstoet schuifelde langzaam het vliegtuig in. Overal hoorde men kuchen, hoesten, niezen en snuiten. Het griepvirus had besloten met deze vlucht mee te reizen .Dit toestel leek wel een Pam Vermeulen autobus, die een groep bejaarden voor zondags namiddagvermaak naar het dans/baancafé De Veertien Billekes reed. Terwijl het vliegtuig naar de startbaan taxiede, stelde de gezagsvoerder zichzelf en de copiloot voor. De drie air- hostesses deden een poging om het toneelstukje over de veiligheidsvoorschriften uit te beelden, maar links en rechts hoorde men al ongeïnteresseerd gesnurk. Terwijl wij van de winterse 2 naar de Spaanse 22 graden vlogen, verhoogde België, na een verijdelde terreuraanslag, de alarmgraad van een gematigde 2 naar het gevaarlijke 3 niveau. Na vier uur klonk het ‘fasten seatbell’ geluid en de piloot vroeg de passagiers zich klaar te maken voordat hij de daling naar Tenerife zou inzetten.  Dit was het sein, waarop nog enkele senioren onmiddellijk rechtsprongen om alsnog gebruik te maken van het claustrofobisch toiletje. Zij hadden vier uur de tijd gehad maar op de valreep en tegen alle aanwijzingen van de stewardessen in,  moesten ze nog eventjes hun plas in het luchtruim achterlaten. Misschien hadden diezelfden, vier uur en vijftien minuten lang, angstig hun anus dichtgeknepen. Toen de wielen van het vliegtuig de Tenerifse bodem raakten, konden zij eindelijk een zucht van verlichting slaken en hun strak gespannen sluitspier ontspannen. Enkelen begonnen van danige opluchting te applaudisseren. In de cockpit stak de gezagsvoerder zijn hand uit naar de copiloot: “Yes, weddingschap weer gewonnen! Wie was er zeker van, dat er dit keer geen paar idioten een debiel applaus zouden inzetten? Je zit niet op een Trans Atlantische vlucht vol yuppies en zakenmensen, maar op de seniorenoptocht naar de zon!  Dat kost je vijftig euro, man! Roger en out.”

Terwijl we het vliegtuig verlieten, borrelde een lach in mij op. Toen manlief vroeg wat ik zo grappig vond, zei ik hem, dat hij zich eens moest inbeelden hoe de wereld eruit zou zien, als iedereen die zijn job goed deed op applaus zou onthaald worden. De postbode steekt per uitzondering de juiste brief in de juiste brievenbus. Hoera, hoera, handgeklap! De busbestuurder stopt aan de aangevraagde bushalte. Gejuich en geklap van de medepassagiers!

De slager weegt exact de gevraagde 100 gram vlees af en niet de steeds terugkerende: “mag het iets meer zijn?” Hoera, hoera, groot applaus. Ik vroeg manlief, die vroeger mijn baas was, waarom hij niet steeds mijn d-t-, Franse en Engelse foutloze brieven, ter ondertekening, op een staande ovatie onthaald had.

Waarom onze vrienden mij niet met overweldigend handgeklap beloonden nadat ik een viergangen menu op tafel gezet had..was dit iets om in de toekomst te bespreken?

We wachtten aan de bagageband en zoals gewoonlijk lieten onze koffers weer op zich wachten. Al onze medepassagiers waren al met hun bagage richting aankomsthal vertrokken. Wij vonden het al lang niet meer ongewoon dat onze valiezen in een ander werelddeel terechtkwamen waar ze vruchteloos op een voor ons niet gekozen reisdoel op de band bleven ronddraaien. Terwijl wij ondertussen, op onze vakantiebestemming aan de andere kant van de wereld, wachtend aan de  bagageband, wortel schoten. Met een zucht van opluchting wees ik op de twee allerlaatste valiezen, die uit de bagagemond naar boven gestuwd werden.

In de aankomsthal stond de autoverhuurder ons met een groot bord op te wachten, hierop stond met de Spaanse slag RAMON ipv Raymond op. Manlief glunderde toen hij in de auto stapte en was uiterst tevreden met de, in zijn gedachten, glanzende spiksplinternieuwe witte Clio… die overnacht ineens in een Opel Corsa veranderd was…maar er zijn ergere dingen om over te discussiëren!




  
 

  

dinsdag 6 januari 2015

EEN ROOKMELDER KAN JE LEVEN REDDEN!


Het was oudejaarsavond 2012. We vierden met zijn tienen de laatste dag van het oude jaar. We hadden gegeten, gedronken, gezongen, een spelletje gespeeld, gedronken en om middernacht geklonken op 2013, gedronken en gezoend. Heb ik al vermeld dat er gedronken werd? Manlief had de grens van lichtjes vrolijk tipsy naar straalbezopen al eventjes overschreden en zat al geruime tijd met een vol glas maar met een lege blik voor zich uit te staren. Een uur voordien had ik hem, tevergeefs, al aangemaand om te stoppen zich met rode wijn vol te gieten. Hij was toen al over zijn ‘theewater ’en het kalf was toen al behoorlijk verdronken. Ik zou het ondertussen reeds moeten weten;  je kan geen rede meer van toeterzatte mannen verwachten. Op elke vraag waarop, in het nauw gedreven mannen op dat moment, geen zinnig antwoord meer weten te bedenken, komt steevast de volgende zin op de proppen: “Ik mag toch iets aan mijn leven hebben hé!” Jong en oud bedient zich hiervan. Mijn oom heeft longkanker, mijn vader is een kettingroker, maar ik rook nu en dan maar eens hoor…:”Ik mag toch iets aan mijn leven hebben hé!  Mijn hele leven is een festijn, maar na een glas of vijf rode wijn is het leven dubbel zo fijn..: “Ik mag toch iets aan mijn leven hebben!” Ze zijn al in de olie en het is vanaf dan een kleine stap om hun herseninhoud tot mayonaise om te klutsen. Enfin toen de vrienden rond 3 uur ’s nachts huiswaarts keerden, zat manlief, als een levend straatstandbeeld aan de tafel te suffen. Twee vrienden, Frank en Jullietje bleven, zoals jaarlijkse gewoonte, bij ons overnachten.  Zij trokken zich terug in de logeerkamer op de tweede etage. Ik griste het volle glas voor manlief zijn neus weg en kieperde de inhoud in de keukengootsteen. Het was als water naar de zee brengen. Het was overduidelijk dat, alhoewel hij geen ‘pap’ meer kon zeggen, het woordje ‘wijn’ er nog vol venijn uitkwam. Er zou niet geslapen worden alvorens de tournee langs alle flessen met rode wijnrestjes afgerond zou zijn. Ik liet manlief dan maar alleen met zijn drankkegel en kroop in bed. In de aanpalende kamer hoorde ik al het zachte gepruttel dat een snurkje voorafging. Plots na enige tijd hoorde ik een snerpend gepiep. Was dit een gerinkel van een mobieltje in de logeerkamer, een verlate telefonische nieuwjaarswens?  Na enkele minuten begon het irriterende gepiep opnieuw, nu sneller en sneller op elkaar volgend. Ik kwam uit bed en probeerde het gillende gepiep te lokaliseren.  Boven aan de trap, aan het plafond boven de overloop van de tweede verdieping, hadden wij een rookmelder geïnstalleerd. Het ‘kolereding’ snerpte juist op 1 januari om 3.30 uur midden in de benevelde nacht een boodschap dat de batterij leeg was! Ik klopte met een stok tegen de stoorzender die prompt zijn laatste piep inslikte. Yes! Ik lag nog niet tussen de lakens toen het gekrijs opnieuw startte. Ik zette een keukentrapje onder de boosdoener, klom erop, ging op mijn tenen staan en probeerde met een grote schroevendraaier tot aan de rookmelder te geraken. Ik was bij het uitdelen van de lengtes misdeeld en kwam duidelijk een volle tien centimeter te kort. Ondertussen waren Frank en Jullietje slaapdronken op de overloop verschenen en had manlief eindelijk iets van het lawaai waargenomen.  Hij kroop de trap op, maande ons onder theatrale gebaren en gesis terug naar de slaapkamers. Hij ‘de grote strijder, de probleemoplosser, de verlosser van alle vrouwelijke onkunde, de handige Harry van Edegem’ zou de zaak van het krijsende toestel eens snel oplossen en moest daarbij geen pottenkijkers hebben. In benevelde toestand tastte hij naar het keukenhulpje, mikte zijn voet op het trapje en zwijmelde met de schroevendraaier de lucht in. Ongerust verdwenen wij van het toneel. Wij hadden de deur van de slaapkamers nog niet gesloten of wij hoorden een geweldig kabaal. Daar viel manlief, in gezelschap van het keukenladdertje en de zwijgende rookmelder de trap af. Met een rotvaart stuiterde hij trede na trede naar beneden, in zijn val een reeks fotokaders van de traphal meevegend. Op de overloop van de eerste verdieping kwam hij, met zijn hoofd naar beneden, tegen de deur tot stilstand. Hij lag er voor Pampus. Vol ongeloof kroop hij op handen en voeten in het halletje rond. Overal was bloed.  Ik beval hem om onmiddellijk stil te blijven liggen en te kijken of er niets gebroken was. Alleen een grote glaspunt zat in de hiel van zijn voet. Ik trok het glas eruit en nog voor ik de wond kon ontsmetten, grijnsde manlief ons ‘debielig’ toe en zei: “piep gedaan”, strompelde in gemarineerde toestand de trap terug op en kroop in bed. Ons gastenduo, alhoewel hevig geschrokken, ging  proberen ook nog wat slaap in te halen. Mijn hart fladderde en de adrenaline pompte door mijn hoofd. Bijna had ik, in het beste geval, de eerste dag van het nieuwe jaar op de spoed doorgebracht. Toen ik de stukgevallen kaders en achtergebleven glasscherven opgeruimd had, hoorde ik op de bovenverdieping al een snurkcanon. Toen ik naast manlief  tussen de lakens gleed, nam hij mij vast en met een dronkemans alcoholwalm vroeg hij: “ziede gij mij nog gère?” Op dat moment zou ik vol overgave de echtscheidingspapieren tegen zijn smoelwerk getimmerd hebben. In zijn droom beleefde hij zijn duikeling waarschijnlijk opnieuw, want slapend riep hij: “Mannekes, mannekes, amaai, amaaai, mannekes, mannekes toch!!”  Het dronken gesnurk klonk als een tractor die door de slaapkamer denderde. Na een uur kon ik het niet meer aanhoren. Ik trok  met mijn hoofdkussen onder mijn arm één etage lager en ging vol zelfmedelijden op de sofa liggen mokken.
’s Morgens verscheen manlief met een verkreukeld aangezicht aan de ontbijttafel. De rode wijnkegel was verdampt. Toen we hem bezorgd vroegen of hij nergens pijn had, keek hij ons stomverbaasd aan en wees alleen naar het geronnen bloed op zijn voet. Ofwel gaf hij hier een meesterlijk stukje amateurtoneel ten beste ofwel was dit wel degelijk een symptoom van comazuipen of Alzheimer rosé. Hij wist van de ganse’“nieuwjaarsduik’ niets meer. Blijkbaar heeft een dronken man dus toch een speciale beschermengel. De rest van de verdere week werd alcoholloos doorgebracht. Er werd niet meer aan Bacchus geofferd. Mijn nuchtere wil was wet: "Ik mocht toch ook iets aan mijn leven hebben hé!"
Als onze regering ons nu wil wijsmaken dat ‘een rookmelder je leven kan redden’, kan ik onverwijld het tegendeel beweren! “Een rookmelder kan je leven verkorten en ik had per 1 januari 2013 zelfs weduwe kunnen zijn!"