maandag 29 december 2014

IK MAAK ER EEN KOOKBOEK VAN!


Het was kerstvakantie en kleinzoontje kwam bij ons logeren. Nu is voor die kleine snoeper geen etentje volledig als er geen nagerechtje achteraan komt. Hij bedoelt dan niet een doordeweeks ijsje, maar een echt dessert. Griekse yoghurt met honing en fruit (maar dan niet met teveel fruit want dat is te gezond), chocolademousse of pudding, rijstpap met bruine suiker, crème brulée of een taartje gaan er zonder veel problemen in. Die kleine zevenjarige smulpaap kan zijn Nana als geen ander rond zijn vingertje winden en dus zou er voor het afronden van het kerstdiner liefst iets heel speciaals uit de lekkernijhoek moeten komen. Ik pijnigde mijn hersens en dacht onmiddellijk aan de profiterolles die ik zo’n 35 jaar geleden eens zelf gebakken had. Ik vergeet nooit die allereerste keer dat ik de echte profiterolles, gevuld met vanille ijs en overgoten met smeuïge chocoladesaus geproefd had. Wij kampeerden in Zuid-Frankrijk, in de omgeving van Agde en gingen op uitstap naar Pèzenas, de stad van Molière.  Het was juli en een hete zonovergoten dag. We hadden voor de lunch een tafeltje in de schaduw gevonden op een terras van een klein restaurantje. Voor dit eethuisje prezen allerlei menuborden de plaatselijke streekgerechten aan. Mijn vader zei altijd: “Probeer zoveel mogelijk van de wereld te zien. Waar je ook bent, ga niet voor de Belgische ‘biefstuk-friet’ maar tracht steeds het locale inwonersmenu te proeven.”  Terwijl mijn twee mannen voor een veilige pizza kozen, ging mijn vaderlijk gen in overdrive en wees mijn vinger onmiddellijk het plaatselijk aangeprezen lunchmenu aan. Er stonden twee gerechtjes op die ik helemaal niet kende. De ongekende keuzes lieten het water alvast in mijn mond  lopen: Brochette d’abats en als dessert profiterolles.  Ik geef toe dat niet alle streekgebonden gerechten overgrote successen waren. Vooral in landen waarvan we de taal niet machtig waren en we de vreemde tekens niet konden lezen, konden we nogal eens voor verrassingen komen te staan. Het was zoiets als Russische roulette spelen. Vier keer ging het goed en de vijfde keer kreeg je soms een met look en peterselie opgesmukte stront op een bordje voorgeschoteld. Dit risico moest je er dan maar bijnemen als je nieuwsgierig en avontuurlijk was. Zo aten manlief en ik, in Thailand gefrituurde krekels en blauwglanzende torren, die lekker knisperend waren en net als onze chips proefden.  In Ecuador smulden wij op de markt van cuy, de op de barbecue geroosterde cavia’s, die net als konijn smaakten. In Vietnam sliepen wij bij de plaatselijke bevolking in een ‘homestay’. Hier kregen wij  een uiterst lekker stoofpotje voorgeschoteld. Nadat wij onze buiken goed rond gegeten hadden en wij de laatste restjes met brood bij elkaar schraapten, vertelde onze gids ons, dat dit een ‘hondjesstoverij’ was. So what..het was verdomd lekker!  Nabij de Victoria Falls in Zimbabwe kregen wij, als inheemse delicatesse, zwarte wormen geserveerd. Onze medereizigers keken kokhalzend toe, toen wij in de wormen beten en er een wit puddingachtig slijm over onze lippen liep. Het liet alleen een afgrijselijke ongedefinieerde verdufte grondsmaak na.  Dit was dus de vijfde kogel van de Russische roulette.

In Pèzenas, in de schaduw van de acaciabomen zat ik dus verlekkerd te wachten op mijn nieuwe ontdekkingen.  Terwijl mijn ex-man en mijn zoontje hun tanden in de geurige pizza’s zetten, kwam er voor mij een spies met gegrild vleesafval. Abats, abattoir…slachthuis…had ik eventjes doorgedacht dan had ik het kunnen weten! De brochette met stukken tripes, tong, niertjes en lever was versierd met een blaadje sla, een sneetje tomaat en drie stukjes aardappel. Mijn smaakpapillen kwamen in opstand.  Als er nu één ding ter wereld was, wat ik absoluut niet binnenkreeg…juist. Het hoofdgerecht was voor mij dus een Franse slag in het water. De Pèzenassenaars mochten hun lokale lekkernij zelf oppeuzelen. Ik was( en trouwens nu nog steeds niet) totaal geen fervente dessertmadam, maar nu zat ik toch hongerig en vol ongeduld op de profiterolles te wachten. Daar kwamen ze dan, vijf luchtige soesjes, gevuld met romige vanille ijs en overgoten met glanzende pure chocoladesaus. En engeltje dat op je tong pieste.

Terug in Antwerpen ging ik op zoek naar diezelfde lekkernij. Het enige wat ik vond waren kartonachtige fabriekssoezen gevuld met slagroom die in de verste verte niet op het hemelse toetje geleken. Ik besloot voor kerstavond de profiterolles dan maar zelf te maken. We bevonden ons nog in het voorhistorische computertijdperk en het woord “google” was een nog niet uitgevonden begrip. Met een recept van soezendeeg, uit het ‘Grote Kookboek van de Boerinnenbond” toog ik aan de slag. Ik mengde, ik roerde en ik kliederde. Ik spoot met een zelfgemaakte spuitzak bolletjes soezendeeg ‘als eieren zo groot’ op het bakpapier. Vol ongeduld keek ik door het raampje van de oven. De krengen bleven groeien en zwellen. Na 25 minuten had ik aan elkaar gekoekte sinaasappelgrote soezen. Het rook heerlijk in de keuken, naar wafelenbak en het smoutebollenkraam. Ik kreeg het niet over mijn hart, mijn eigengemaakte halve tennisbalgrootte ‘profiterolletjes’ in de vuilnisbak te kieperen. Ik sneed ze open, vulde ze met een grote bol vanille ijs en overgoot ze met warme chocoladesaus. Er konden er juist twee naast elkaar op het dessertbordje en toen ik ze opdiende, was het net of  ik aan iedereen een paar negerinnenborsten cadeau deed. De mannen likten suggestief de chocolade van de soezen terwijl de dames, een beetje lacherig en maten vergelijkend, de lepel in het nagerechtje duwden. Het gelach en het commentaar over mijn ‘tietendessert’ heeft me nog geruime tijd achtervolgd.

Na 35 jaar zou ik het goddelijke dessert voor mijn kleinzoontje nog eens opnieuw uitproberen. Ik googlede en kreeg onmiddellijk een honderdtal recepten.  Dus als een volleerde ‘profiterolkenner’ ging ik opnieuw aan de slag. Ditmaal waren ze perfect van grootte en structuur, ze smolten op je tong. Mijn eigen ‘komen eten’-familie gaf me na het kerstdiner een welverdiende 9/10 voor sfeer en gezelligheid. Mijn zevenjarig kleinzoontje glunderde. De chocoladesaus zat overal, van zijn mondje over zijn neusje tot achter zijn oren.  Hij stak zijn bruine duim omhoog en zei dat hij voor dit dessert een overduidelijke 10/10 gaf.

Dus tv koks, Jeroen Meus, Piet Huysentruyt en Sofie Dumont jullie zijn verwittigd. Als het aan mij ligt, komt er dit najaar een nieuw erotisch kookprogramma à la Nigella Lawson “Chez Nana” op de buis. Ik zal kookzappend Vlaanderen overspoelen met mijn chocolade ‘tietendessert’ en leg er dan voor de dames nog een aanschouwelijke banaan bij!

Om de verkoop van mijn eventuele tweede boek, als kookboek, wat aan te zwengelen, volgt hierna het recept van overheerlijke profiterolles!

De ingrediënten in dit recept zijn voor 4 tot 6 personen.
de soesjes:
5 eieren
100 g boter
180 g bloem , 2 grote soeplepels zelfrijzende bloem en de rest patisseriebloem
25 cl water = 1 bierglas
1 vanillestokje of een half zakje vanillesuiker.
1 snuifje zout
de chocoladesaus:
200 g donkere chocolade
100 g suiker
1 klontje boter
1 dl water
de afwerking:
1⁄2 l vanille-ijs
bereiding
de soesjes:
Weeg alle ingrediënten zorgvuldig
Zet een kookpot op een laag vuur en giet het water in de pot. Voeg er de boter bij het halve zakje vanillesuiker of  de zaadjes uit de vanillestok . Snij de vanillestok overlangs door en schraap met een mespuntje de zaadjes uit de beide helften van de peul. 
Laat de boter smelten en giet dan de bloem in de pot. Zet het vuur op een laag pitje en meng alle ingrediënten met een houten lepel, tot ze samenklitten tot een deeg. 
Haal de pot van het vuur en voeg nu de eieren één voor één toe. Meng tussendoor krachtig tot elk ei in het beslag verwerkt is. Dit vraagt een beetje inspanning! Om je een idee te geven: het beslag moet de dikte hebben van egale stopverf.  
Voeg een snuifje zout toe, meng goed en vul de spuitzak met het soezenbeslag. Indien je geen spuitzak hebt, neem dan een plastiek diepvrieszakje er snij er aan één hoek een punt af 
Verwarm de oven voor op 180°C. Hou de ovenplaat er uit. 
Bedek de ovenplaat met een vel bakpapier.
Neem de spuitzak en spuit egale toefjes beslag op de bakplaat. Laat voldoende ruimte tussen de porties beslag, want het volume zal tijdens het bakken verdubbelen.(denk aan mijn eerste baksel 35 jaar geleden!) Kies voor porties die half het volume hebben van de inhoud van je ijsschepper. Zet de ovenplaat in het midden van de voorverwarmde oven.
Bak de soesjes gedurende 25 minuten in een oven van 180°C, en laat ze nadien even afkoelen.
Je kan de soesjes ruim op voorhand bakken, ze vullen en ze in de diepvriezer bewaren. Laat ze daarna +- 15 tot 30 minuten ontdooien.
de chocoladesaus:
Zet een steelpannetje op het vuur en doe het water en de suiker erin. Breng het mengsel aan de kook zodat er een bleke suikersiroop ontstaat.  
Breek de chocolade in stukken en smelt ze in de siroop. Roer voortdurend met een garde, tot je een glanzende saus krijgt.
Meng ten slotte een klontje koude boter door de saus.
de afwerking:
Snij de gebakken soesjes middendoor. Gebruik hiervoor een scherp mes (bv een steak- of broodmes).
Leg op elk half soesje een bolletje vanilleijs. Plaats er de hoedjes op, en serveer de profiteroles met een flinke lepel warme chocoladesaus.


woensdag 17 december 2014

MIJN EERSTE BOEK "HET SCHARNIEREND SCHUURTJE" is uitgegeven


OP ZOEK NAAR EEN LEUK BOEKJE ?

 


Simone (Sim) Cornelis werd op 17 december 1951 te Antwerpen geboren. Hier volgde zij in het SISA een opleiding ‘Sierkunsten en Fotografie’. Samen met haar man woont zij in Edegem bij Antwerpen. Zij is een vrolijke creatieve levensgenieter. Samen met haar man ontdekt zij de ganse wereld en toert zij een paar maanden per jaar met de caravan rond. Zij beschrijft op haar eigen humoristische manier de actualiteit van nu en situaties van vroeger.

 

 

De Antwerpse  Sim beschrijft op humoristische wijze heel herkenbare situaties en waargebeurde verhalen. Zij schrijft op een ludieke manier over haar jeugd (als blonde ‘babe’), over haar loopbaan als secretaresse en over haar angst voor kleine ruimtes. Ze vertelt op een grappige manier over de liefde voor haar man, kinderen en kleinkinderen. Komische, lachwekkende vakantieavonturen en het rondtrekken met de caravan zijn steeds terugkerende gegevens. ‘Manlief’ is voor haar een hilarische en onuitputtelijke bron van inspiratie.  Zij houdt zielsveel van hem, maar ze kan hem af en toe wel achter het behang  plakken. Geniet van haar columns en haar humor!

 

Stukje uit mijn eerste boek, column “De zakkenvuller”

quote

Juist toen ik de verpleegster wilde vragen, of het nog voor vandaag zou zijn, ging eindelijk de deur open en een gehaaste Alain Delon ‘lookalike’, kwam met een nog open flapperende doktersjas zijn praktijk binnengespurt. Zonder mij aan te kijken, wapperde de gynicoloog me voorbij richting zijn bureau. Toen gebeurde het onvoorstelbare…ik bleef met mijn grote teen in zijn jaszak haperen! Een voor hem onzichtbare kracht remde zijn tocht af en trok hem terug in achteruit. De dokter keerde zich om en met een: “Héla, hela, wat gebeurt er?”  pulkte hij mijn grote teen uit zijn jaszak en ging met een zucht achter zijn bureau zitten. Het ‘schaamrood’ verspreidde zich over mijn ganse lichaam. Hij nam gejaagd een plastiek mapje en haalde hier een dossier uit. “Mevrouw Cornelis?” Hij keek recht in mijn kruis alsof zich daar de bevestiging van mijn naam bevond. Mijn onderste lippen lagen geopend in een grote O, terwijl mijn bovenste lippen in mijn tomaatrode kop gewoon dienst weigerden. Met toe geknoopte doktersjas zette hij zich tussen mijn geopende knieën, duwde een soort metalen eendenbek bij me naar binnen en plukte een stukje uit mijn binnenkant. Dit alles zonder mij één blik te gunnen. “Zie zo Mevrouw Cornelis, toch niet teveel pijn gedaan hoop ik?” “U mag zich terug aankleden.” Terwijl ik in mijn blote reet terug richting kleedkamertje ging, voegde hij er nog aan toe “U mag het resultaat met de post verwachten en bij slecht nieuws, wordt Uw huisdokter op de hoogte gesteld…en in het vervolg, niet meer in mijn zakken zitten hé!”

unquote 

Voor alle verdere informatie kan U mij een mailtje sturen, of onmiddellijk op de website van www.boekscout.nl  het boek bestellen of  mij contacteren op

Groetjes




Sim

Bij bestelling in een boekhandel, gelieve te verwijzen naar Boekscout.nl met nummer

ISBN 978-94-0221-266-0

“Het scharnierend schuurtje”, waargebeurde humoristische verhalen van Sim

 

IK STAAK!


Beste lezers die mij via mail of via mijn blog volgen,


Jullie zullen gedacht hebben dat mijn fantasie opgedroogd was of dat ik minstens een writer’s block had. Niets is minder waar. IK STAAK. Jullie lezen het goed! Ik staak!
Waarom ik staak? Daar moet ik nog eventjes heel diep over nadenken.
Ik ben nogal trendgevoelig. De laatste maanden lijkt het modewoord in België, ‘werkweigering’ te zijn. Vier dagen in één maand tijd staakt men nu al in België. Men wil duidelijk niet meer werken en al zeker niet ‘langer werken’…
Dus modebewust staak ik mee. Geen letter kwam er nog uit mijn PC.
Ook ik heb recht op verontwaardiging en om af te geven op alles wat krom en scheef zit in onze welvaartmaatschappij.
Op straat komen met een groot spanbord met daarop “Wij willen niet langer werken, of wij willen brugpensioen” is nogal hypocriet, want ik ben al een paar jaar met pensioen.
Rond brandende autobanden gaan staan en roepen: ”Wij willen geen indexsprong” lijkt ook onrealistisch. Met ons povere pensioentje, zie je amper dat er jaarlijks index bij komt, dus zal die geplande indexsprong ons waarschijnlijk geen boterham minder doen eten.
Wil ik een rijkentaks?  Eventjes nadenken…ben ik zelf rijk?  Meer tijd dan geld, zeg ik altijd. Mensen die van nul een firma opstarten, grote winst maken als ze deze verkopen, hiervoor vervolgens in België geen belastingen betalen, daar wordt schande over geroepen. Miljonairsvoetballertjes en wielrenners die hun geld in Monaco of in Luxemburg wegsassen, dat vindt men normaal en die belonen we dan nog eens met een ‘Gouden schoen’ of een beker ‘Sportman- of vrouw van het jaar’. Die  jackpotten  zorgen voor het zondagse vertier! Daar mag door het gepeupel niet aan geraakt worden. Geld is een vreemd goedje, als je het bewaart heb je er niets aan, als je het uitgeeft, ben je het kwijt. Waarom staak ik dan?
Ik staak, omdat manlief  met een spiksplinternieuwe auto, in plaats van maar eerst na vier jaar, nu jaarlijks naar de autocontrole moet. Doordat wij bij aankoop van de wagen een gloednieuwe trekhaak lieten installeren en een caravan trekken, moeten wij nu alle jaren een controlebelasting in de regeringsla leggen. De autocontroleurs duwen eventjes op de trekhaak, schijnen met een zaklamp onder de auto zijn achterste en je mag langs de kassa passeren.
Ik staak omdat ze in mijn achtertuin sociale woningen gebouwd hebben. Ik preutel niet over het idee ‘sociale woningbouw’ zelf en ook niet omdat het letterlijk in onze achtertuin staat, maar om de grandeur van de appartementen en de tuinen. Ik staak, omdat ik op het merendeel van de supergrote terrassen, hoofddoeken en schotelantennes zie verschijnen. Deze ‘kansarmen krijgen met ons geld, een riant beneden appartement met een tuin van 10 meter breedte en 25 m lengte onder hun zitvlak geschoven. Het zou met wat minder toch ook wel gaan zeker? Terwijl onze kinderen voor hun huis met tuintje, elke maand met moeite hun hypotheek aflossen en nagenoeg niets overhouden om voor een tweedehands auto te sparen, rijden deze ‘minderbedeelden’ plots rond in een Mercedes,in BMW’s met getinte ruiten en in SUV wagens. In één van de sociale tuinen staan plots drie moto’s, drie fietsen, twee grasmachines, een trampoline en een zwembad met een doormeter van 4 meter, helemaal tot de nok gevuld, met door de gemeenschap betaald, water! Daarom staak ik!
Ik staak om het onrecht in de wereld. Omdat alle mensen die geloven niet genoeg bidden om God of Allah te overtuigen dat zij hun geloofswaanzinnige  achterban moeten trachten te stoppen. De gelovigen beweren toch dat hun God en Allah almachtig zijn..of niet? Waarom komen deze goden dan niet tussenbeide? Ik staak omdat overal ter wereld vrouwen  als vuilnis behandeld worden en kinderen sterven omdat ze willen leren.  Ik staak omdat de moslims niet massaal op ’t straat komen om met een heel luid roepend   “Not in my name” al die islammoorden te veroordelen.  Ik staak voor toestanden die er werkelijk toe doen, niet omdat wij een zuchtje van onze welvaart af moeten geven, zodat onze kinderen en kleinkinderen niet met gigantische schulden zouden moeten opgroeien.
Dus ook ik leg het werk neer. Ik weiger nog één poot in de keuken te zetten. Ik weiger koffie te zetten en in mijn potten te roeren. Gedaan met kuisen voor dat kleine pensioentje. Ik weiger de wasmachine in en de afwasmachine uit te laden. Ik eis dat het werk als huisvrouw net als de job van de bouwvakker en de leraar als zwaar beroep erkend wordt! Het zal zelfs niet ophouden als ik 67 ben, het gaat gewoon door. Staken is staken! Manlief begrijpt het allemaal niet. Hij wil vooral geen olie op het stakersvuur gooien. Hij vraagt me heel zachtjes waarom ik dit allemaal op hem, de onschuldige brave ziel moet uitwerken? Wel, ook dat is een modeverschijnsel, medeburgers pesten om je gelijk te krijgen…en zoals ik reeds vertelde, ik ben heel trendgevoelig! Manlief kijkt me glimlachend aan: “Oké schatje er is nog plaats voor overleg aan de onderhandelingstafel! Wat denk je ervan, je wordt vandaag 63, dus vandaag geen ‘gekook’ en geen ‘gekuis’. Laat ons een beetje feestvieren en eens lekker bij de Thai gaan eten!” Als dit geen toegeving is?  Ik grijns van oor tot oor: “Yes, yes toch iets uit de stakingsbrand gesleept!”

Sim 17/12/2014

maandag 8 december 2014

HOOG OP DE GROENE WAGEN..




 
 

Hoog op de gele wagen, rijden we door berg en dal, lustige kleppers draven, blij klinkt het hoorngeschal. (carnaval! , riepen wij schoolkinderen dan) Water en wouden en weiden, stromen zo machtig en vrij, ik kan van je schoon haast niet scheiden, maar ’t gaat voorbij en voorbij…

Dit staplied  leerden wij vroeger in het lager onderwijs en schalde op elke schooluitstap door de autobus. Het lied weerklonk nu opnieuw door de immense natuur van Ecuador. Wij zaten niet in, maar boven op het dak van een trein.  Eventjes waren de muzieknoten in onze bange kelen blijven steken, maar eind goed al goed…

Wat vooraf ging:

Wij keken beteuterd toen onze gids ons vertelde, dat het hoogtepunt van onze Ecuador reis afgelast was. De duivelstrein, de ‘Del Nez de Diablo’ de trein naar de duivelsneus, die vanuit Riobamba via haarspeldbochten steil naar de kust afdaalde zou voor geruime tijd stilliggen. Iedereen had boven op die trein kunnen zitten en had kunnen meehelpen om de wagon op de steile helling in de bochten rond te duwen. Door de aanhoudende regen was er een stuk van het spoor echter weggespoeld en het traject veel te gevaarlijk geworden. Spijtig, helaas, pindakaas, niets aan te doen, het spektakel was ons niet gegund. Onze gids zou een alternatief samenstellen en beloofde ons dat we er zeker geen spijt van zouden krijgen.




Vanuit Ibarra werden wij met een ‘chiva’ (een vroeger slavenvoertuig, maar nu omgetoverd naar folkloristische bus) naar de El Chota vallei gereden. Hier woonde de zwarte gemeenschap van Ecuador, de afstammelingen van de vroegere slaven. Achter in de bus zat een orkestje dat ons de hele trip op vrolijke muziek zou trakteren. Als pleister op de ‘duivelstreinwonde’ mochten wij boven op de bus plaatsnemen. Hotsend en botsend en ‘lalala’ mee zingend, wuifden wij naar de kleurrijke, glunderende terug wuivende Ecuadorianen.

Toen we in het dorpje in de Chota vallei aankwamen, werden wij door de ganse gekleurde gemeenschap met applaus ontvangen. De kinderen dromden rond ons heen, wreven benieuwd over onze blanke handen en klommen in en op de ‘chiva-bus’. Het was duidelijk dat ze nog geen massatoerisme gewoon waren en dat dit bezoek voor hen een fantastische afwisseling was in hun schoolloze bestaan.
 





Onder begeleiding van gitaarmuziek werden wij mee naar het dorpsplein gevoerd. Hier werden wij verondersteld mee te dansen met de inheemse populatie. Manlief bleek, om de een of andere onduidelijke reden, een geliefde danspartner. Hij werd, door verschillende jonge zwarte schonen tegelijk, uit de groep geplukt. Hij moest met een glas op zijn hoofd met de plaatselijke miss Chota dansen. Die had een fles boven op haar kroeshaar geplaatst. Of dit nu werkelijk de traditionele ‘fles op het hoofd El Chota dans’ was of een danspasje dat ‘à la minute’ uitgevonden werd om de toeristenbende er ridicuul te laten uitzien, blijft tot op heden een mysterie. De zwarte Ecuadorianen klapten in hun handen en stampten in het zand. De zwarte kindjes joelden, schaterden en rolden over de zandvlakte van plezier. De groep wiebelde en huppelde wat mee en sprongen van de ene voet op de andere. Ons enthousiasme kwam echter niet voort door een niet te stuiten drang naar beweging of dansmoves. Noch een dansmicrobe, noch de opzwepende muziek deed ons huppelen, maar terwijl we de capriolen van manlief in het oog hielden werden wij ondertussen aan de rand van de dansvloer tot onze knieën opgevreten door vlooien. De beestjes beten zich jeukend, met rode stippen, tot onder de rand van onze shorts.
 


 
 
Vanuit dit dorpje vertrok de Ferrocarril, de Tropical Railway, een omgebouwde groene bus die op rails geplaatst was. Onze gids wees naar de wagon en wij klommen één voor één boven op het dak van de trein. Niemand zat in het wagentje.  Boven op de wagon is het treintraject een stuk spannender en volgens onze gids volledig ongevaarlijk. De enige steun en houvast die we hadden, was een groot touw dat over onze dijen gespannen was. Onze benen bungelden ‘rood vlooienbeet-gestipt’ naast de wagon. Het treintje zou ons, zingend van “In een klein stationnetje, ’s morgens in de vroegte…” met een gezapige snelheid van 40 km per uur naar Ibarra terugbrengen.  De trein volgde de rivier en daalde slingerend in de vallei af. Wij waanden ons alleen op de wereld, nergens in de wijde omgeving was een levende ziel te bekennen. Regelmatig krabbend aan onze benen, wiebelden onze voeten richting de sporen. Langs het betoverde tracé stonden overal palmbomen en bloeiende bromelia’s. Wij joelden: “Stonden zeven wagentjes netjes op een rij.” Hij tufte door tunnels, over kleine bruggetjes en jakkerde over de rails . Sommige sporen hingen in het luchtledige want de aarde eronder was weggespoeld. Het parcours werd ruwer en ruwer. Wij fotografeerden en zongen: “Zie het machinisteke draaien aan het wieleke..”  De trein toeterde langs steile hellingen en over diepe ravijnen.  “Akke akke tuut tuut weg zijn wij.” Hij naderde schokkend en uiterst langzaam de brug die de diepe ravijn over de Chota-rivier overspande…en juist hier in het midden viel hij stil. Ons gezang verstomde en de vlooienjeuk werd op een instant natuurlijke wijze plots onderdrukt. Onder ons gaapte een immens diepe afgrond. Sommigen onder ons, die al een milde vorm van hoogtevrees voelden opkomen, schoven hun achterwerk al wat verder het dak op. Daardoor spande het touw niet meer strak over onze billen.  Ik bewoog me wat meer naar voor, want ik wilde wat graag die gigantische diepte op de foto vastleggen, maar de koord gaf teveel mee en ik kukelde bijna de dieperik in. Manlief had me nog juist vast en trok me geschrokken achteruit.  “Schatteke, wat jij allemaal niet aanvangt om een foto te maken, ‘k was je bijna kwijt!”
 

 

 

Wij begonnen te morren, wilden weten wat er aan de hand was, en klopten geërgerd op het dak van de ferrocaril.  Toet, toet, schommelend zette het treintje zich terug in beweging. Het was de Ecuadoriaanse manier om de reizigersinvasie van spanning en avontuur te voorzien. Met een zucht van opluchting begonnen enkele onder ons terug te zingen: ”Hoog op de groene wagen, trein ik door berg en dal, dal, dal dal…” Het wagonnetje waggelde de weggebrokkelde hellingen af en schuurde langs de afgekalfde bergwanden. De vallei werd stilaan breder en breder. “Lustige kleppers draven, blij klinkt het toetergeschal..” Op het groene grasland graasden lama’s en schapen. Toet, toet, wij reden Ibarra binnen. Daar had de plaatselijke middenstand de rails omgetoverd tot de dorpswinkelstraat. Overal werden vierklauwens de kraampjes opgebroken, de luifels weggeschoven en de stalletjes afgebroken. De veelkleurige hoedjesparade stoof alle kanten op.  De eters van de ‘cavia/marmot bbq-restaurantjes’ sprongen verschrikt op en zetten tafeltjes en stoeltjes op elkaar. Voor het station stopte de Tropical Railway en wij klauterden één voor één van het dak naar beneden, klaar voor het volgende avontuur. Galapagos here we come en yes ik had als enige een foto boven de afgrond!
 
 
 “Ik kan van je schoon haast niet scheiden, maar ’t gaat voorbij en voorbij…”

maandag 1 december 2014

VIETNAMESE ZELFMOORDPOGING






Manlief en ik hebben in de jaren dat wij samen rondreizen al verschillende zelfmoordpogingen ondernomen.  Zoals jullie kunnen lezen, zijn ze gelukkig, voor ons, allemaal mislukt.

In een ver en onderontwikkeld vakantieland wil je spanning en avontuur en aan  eventuele desastreuze gevolgen wil je op dat moment helemaal niet denken. Er hangt een aura van onsterfelijkheid rond je en je bent jong en roekeloos.  Enfin wij waren ondertussen al niet meer zo piepjong maar we waren wel overmoedige nieuwsgierige waaghalzen.

In Vietnam ondernamen wij gezamenlijk onze allereerste zelfmoordpoging. Ons hotel bevond zich langs de ene kant van de drukke verkeersader, alle bezienswaardigheden van Hanoi  zaten aan de overkant. We stonden beiden langs de kant van de straat en bekeken de aanhoudende stroom vrachtauto’s, auto’s, moto’s, brommertjes en fietsen die langs alle kanten zigzaggend voorbij scheurden. De fietsen waren zo hoog en breed beladen met koopwaar en kwamen met slingerbewegingen nauwelijks vooruit. Op een brommertje zat niet één, zaten geen twee maar soms vier mensen helmloos maar breed lachend met de nodige bagage op elkaar geplakt.  De meeste bestuurders droegen een mondlapje om de uitlaatgassen tegen te houden. Daartussen toeterden de toeristenbussen en het openbaar vervoer. Claxonnerend, bellend en roepend koersten ze allen kriskras door de straat, reden frontaal op elkaar af en draaiden op het laatste moment het stuur om. Zebrapad of verkeerslichten geen enkele gemotoriseerde Vietnamees verleende voorrang. De doorsnee spleetoog stapte gewoon met een zekere doodsverachting zonder rondkijken de straat op en de brommertjeszee spleet als de Rode zee uit elkaar. Manlief nam me bij de hand en dwong mij het voetpad af. Ik volgde hem aarzelend, met één voet nog op de stoep, de andere schoen al tussen het moordende verkeer. Ik hield mijn ogen stijf gesloten en met een heel groot ei in mijn broek, sleurde manlief mij naar de overkant van de drukke straat. Niet terugdeinzen, niet twijfelen gewoon zoals de Vietnamees, onbevreesd doorstappen.  De kamikazechauffeurs hadden ons wonder boven wonder volledig ontweken. Na enkele dagen werden wij zelfs verkeersovermoedig en ondernamen wij onze volgende suïcideactie. Wij huurden een ‘fiets toek- toek’ richting museum. Wij lieten ons in de stoeltjes van een overdekte stootkar zakken.  Zonder enige beveiliging vooraan werden wij door de fietsende eigenaar achteraan, als levende projectielen in het verkeer en het kabaal gestoten.  Ik had de camera in aanslag en het zou een uiterst spannend filmpje worden. De man trapte alsof zijn leven ervan af hing, hij fietste zich bijna letterlijk een ongeluk. Hij slalomde tussen de fietsers. Hij sprintte met zijn fietstaxi alle brommers voorbij. Het werd een helse rit, een Disneyland Space Mountain attractie waardig. Onze stuntman probeerde een auto in te halen, bleef op de tegenovergestelde richting voort peddelen en reed pal een autobus van het openbaar vervoer tegemoet. De bus kwam angstaanjagend toeterend dichterbij.  Wij gilden en sloegen wild met onze armen in de hoop dat onze fietsbestuurder onze gebaren en waarschuwingen boven het zeteltje zou zien. De schrik sloeg ons om het hart. Mijn fototoestel bengelde al lang werkloos rond mijn arm. De film met het rampscenario ‘the final collision’ zou nooit in België bekeken worden.  Onze horrorchauffeur leek stekeblind en doof. We hotsten en botsten. We zochten een uitweg maar de snelheid waarmee we trappend in de verkeerschaos voortgestuwd werden, hield ons bang in het karretje geklemd.

Ofwel hadden de remmen van onze toek-toek fiets het begeven ofwel hield onze fietsheld van spannende thrillers. Juist op het allerlaatste moment, op 10 centimeter voor de luid claxonerende bus, draaide de snelheidsduivel het stuur om en vloog onze ‘taxi-velo’ langs de tegengestelde richting, de stoep op. Onder luid protest sprongen de voetgangers alle kanten op. Krijsende verkopers veerden op en liepen met gebalde vuisten achter onze kamikazeheld aan. Hij ontweek op een haar na de gehurkte ‘straat-restaurant-eters’.  Iets verder stopte onze James Dean en met een brede glimlach, zich totaal van geen kwaad bewust, wees hij op het museum en zei: ”Xin vui lòng, viện bảo tang” wat zoveel betekende als “Alstublieft, zie hier het museum”.  We scharrelden bibberend  onze rugzak en fotocamera bij elkaar, betaalden onze superman en strompelden totaal van de kaart uit het fietskarretje. Met een ‘big smile’ zei hij:” I wait for you, go back to hotel,  good price!” Wij bedankten beleefd en zagen af van het gunstig retourprijsje naar het hotel.  Aziatisch geel en groenig bleek liepen we met knikkende knietjes in het museum rond. Hoever de terugweg naar het hotel ook zou zijn, ons kregen ze nooit meer in een Vietnamese ‘fiets toek-toek’. Wij gingen nog liever te voet zigzaggend de Vietnamese pijp uit.