maandag 21 december 2015

KLEINKINDEREN, ZE ZIJN OM OP TE VRETEN

“Sssschttt Nana! Stil, bompa doedoe.” Het wijsvingertje, van mijn tweejarig kleindochtertje, wordt tegen het middelste van haar mondje gedrukt. “Ssscht !”

Zij kijkt me een beetje verwonderd aan. Ze begrijpt niet goed dat haar speelkameraadje nu op de sofa ligt te snurken. Zij dribbelt tot naast de sofa en drukt haar lipjes op bompa zijn oor. Manlief opent een oog en Valentina schatert het uit. “Bompake wakker?” “Stilletjes zijn schattebolleke, bompa moet nog veel rusten, bompa is nog een beetje ziek.” Zij denkt diep na, danst huppelend naar haar speelgoedvoorraad en grist hier haar lievelingspop Kabouter Plop uit. “Bompa Plopje  hebbe?” Zij duwt de kabouterpop tegen bompa zijn neus. Als bompa niet onmiddellijk recht springt, sleurt ze hier nog alle speelgoedjes achteraan. Ze bouwt een speelgoedtoren op manlief zijn buik. “Bompa speel?” “Schatteke, laat bompa eventjes met rust.” Manlief revalideert nog van een redelijk ernstige operatie en moet nog enkele pijnstillende pilletjes innemen waarvan hij serieus ‘slaap- gedrogeerd’ blijkt te worden. Valentina huppelt van de ene op de andere voet. Bompa ronkt door alles door. Als laatste optie duwt ze haar fopspeen en het voor haar onmisbaar bloemetje- slaapdekentje tegen zijn gesloten ogen. Bompa snurkt. Eventjes is zij uit haar lood geslagen, bekijkt mij met een lichte frons op haar voorhoofdje, maar dan licht haar gezichtje op. Haar vingertjes gaan heen en weer. “Bompake kiele kiele doen?” “Schatje laat bompa nu eventjes slapen!” “Oei bompa ziek, ssscht Nana, bompa nog doe-doe!” De kleine meid is echter niet te stuiten. Ze kijkt om zich heen, trippelt rond de salontafel  en bedekt manlief helemaal van kop tot teen met de kussens van de andere sofa’s.  Haar lachje klatert door de living als bompa plots :”kiekeboe kleine schat” zegt. Dat is het sein om al haar prentenboeken  aan te slepen. “Bompa boek lese?” Als manlief zich rechtzet, klautert ze zonder aarzelen naast hem, opent een boek en wijst met haar vingertje naar Winnie de Pooh. “Ikke niet schoteke zitte, bompa ziek.” Ze sleurt haar fopspeen uit manlief zijn handen, propt hem in haar mondje, duwt haar lievelingsdekentje tegen haar oortjes en drukt haar hoofdje tegen bompa aan.  Terwijl bompa klaarwakker is, vallen Valentina’s oogjes bijna dicht. Daar zitten ze dan, Bompa en kleindochter, vanaf de geboorte twee handen op één buik.

dinsdag 8 december 2015

JE SUIS EDEGEM

Op de bus, vanuit Antwerpen richting Edegem, heerste een aangename drukte. De regen kletterde tegen de ramen en de ruitenwissers zwiepten op snel tempo heen en weer. Nu en dan rinkelde een telefoon. Verschillende mensen kwetterden in hun mobieltje. Ik had geen idee waarover er uren, al rijdend,  gepraat kon worden maar, tandpis, tijden veranderen. Anderen raadpleegden facebook of luisterden naar muziek. In ieder geval, de jongelui waren allemaal, stuk voor stuk, druk bezig met dat toestelletje in hun handen. Alle zitplaatsen waren bijna bezet en in de middengang was het drummen geblazen. Kinderen stapten, na een schooldag, luid babbelend en lachend op.  Een sompige regenwarmte deed de ramen aandampen en een school- zweetgeur zweefde over onze hoofden.  Op het middenpad stond een kinderwagen met een kraaiende baby, die met mij kiekeboe deed. Aan het station van Antwerpen kwamen er plots twee mannen de bus op. Geen van beiden betaalde een buskaartje. Dit wees erop dat de integratie in Vlaanderen praktisch helemaal geslaagd was. Alleen de brave, meestal oudere generatie burgers hielpen de omzet, van de Lijn, niet verder in het rood zakken. Dus ‘het zwartrijden’ was regel nummer één, die moeiteloos overgenomen werd door alle blanke en anders getinte Antwerpenaren. Een eerste man droeg een djellaba met daarover een colbert. Een jasje dat waarschijnlijk voordien reeds door drie generaties Vlamingen of Marokkanen afgedragen was. Op zijn hoofd een gehaakte pet zonder klep. Zijn kroezelige schaamhaarbaard wiegde van links naar rechts. De tweede dikke man zat diep in een donker trainingspak weggestoken, de kap volledig over zijn hoofd getrokken. Zijn baard stond alle kanten uit, alsof hij door de bliksem getroffen was. Twee indringende zwarte koologen bekeken alle medereizigers terwijl zijn groezelige handen de busstang omklemden.  Op hun rug hingen er twee identieke rugzakken. Het duo leek op een stelletje angstaanjagende figuren, het type dat op Borgerhoutse pleintjes rondhangt en hoopt naïeve, werkloze,  nieuwe Belgjes te radicaliseren.  Plots sloeg de sfeer in de autobus om. De gesprekken verstomden en reizigers probeerden oogcontact met elkaar de leggen. De beslagen ruiten kristalliseerden onmiddellijk de geur van 50 angstzwetende passagiers. De mensen schoven ongemakkelijk heen en weer op de klevende buszetels.  Ik bedacht dat de rugzakken wel wat klein waren om kalashnikovs te verbergen maar een terreurgordeltje kon ook best modieus onder een djellaba of een ruim trainingspak verstopt zitten.  De bus reed slopend traag van halte naar halte. Auto’s bumperden als slakken de stad uit en aan elk rood verkeerslicht moest er eindeloos gewacht worden.  Bij de eerstvolgende halte liep de bus al half leeg. De kinderwagen werd in alle haasten naar de uitgang gereden. Toeval of angstreactie, wie zal het zeggen. De beide mannen schoven door het gangpad richting achterkant van de bus.  Ik kon alleen maar denken, dat als die twee nu volledig in de ban van een zelfmoordideetje waren, aan een bommengordeltje dachten en aan een touwtje onder hun djellaba of trainingspak zouden trekken,  men wel van een heel slechte timing zou kunnen spreken. Manlief lag na een longoperatie in het ziekenhuis en verwachtte van deze Florence Nightingale elke dag een bezoekje en nog minstens een maand revaliderende thuisziekenzorg. Dus als die Islamietenhandjes nog maar richting heup of  rugzakje gingen, begonnen mijn voetzolen al te zweten. We hadden nog maar net, “Je suis Charlie” en “Je suis Paris” verteerd, dus “Je suis Edegem” stond nu niet direct op mijn verlanglijstje. Misschien wachtten ze wel met hun terreurvuurwerk totdat we met de bus door een drukke winkelstraat zouden rijden. Veel ongelovige vliegen in één klap. Doemscenario’s stuiterden tegen de gesloten busdeuren. Wat zou er gebeuren als straks dat tuig de lucht in ging?  Werd het een getorpedeerde, uitgebrande karkas van een lijnbus vol met verschroeide handen die hun mobiel omklemden? Zouden wij er uitzien als blokjes stoofvlees met klodders bloedworsthersens? Zouden die mannen onmiddellijk naar die 72 maagden gekatapulteerd worden? Zou men ons nog herkennen. Ik omklemde mijn schoudertas wat steviger. Men zou al met een koevoet mijn handtas, met identiteitskaart,  uit mijn nijpende hand moeten loswringen.  Het traject scheen eindeloos te duren. Antwerpen had weer, voor de zoveelste keer op een regenachtige dag, een volledig verkeersinfarct. Een paar schoolkinderen duwden met hun boekentassen tegen de rug van de twee mannen toen ze naar de uitgang ploeterden. De twee mannen draaiden zich geërgerd om. Man, man.. uitlokking..”Jezus”, hoorde ik een medepassagier zeggen. Ja, dit was nu, op dit moment, totaal niet de juiste man om in deze situatie aan te roepen. Normaal zitten er op dit bustraject steeds een aantal moslima’s. Nu waren er echter in einde en verre geen hoofddoekvrouwtjes te bekennen die zalvende onderhandelingen konden opstarten.  Een mobieltje schetterde plots Arabische muziek door de bus. De twee mannen keken elkaar aan en overlegden in het Marokkaans of ze zouden opnemen. Dan drukte de dikke man op het knopje en wriemelde zijn mobiel zijn trainingskap in.. Griezelig stil werd het op de bus! 30 paar oren luistervinkten mee naar de mogelijke opdracht.  “Hallo, joa Mohamed”,”Joa zeg joeng, ik moest ierst wachtte totdat dien train van Brussel aankwam oem Mohammed af ‘t haole hé! Wai staan hier al een halfuur op die bus te geeloege hé. Da verkier zit potdicht in Antwaarpe. Ik zweer et gast, wai zen oep tijd vertrokke. En ja, wij emme dat kadoke veur die kleine bij! Joa joeng wai kome direct naar de kroamafdeling. We stoan in de file gelak iederien hé. Joa doar kunne wai toch niks aandoeng da gij der in de regen stoat , hé gast. Binne vijf minute zen we doar, tot sebiet.” De trainingsman lachte naar de froesbaard: “Jao Mo, da slimmeke staot daar in de gietende regen oep ons te wachtte, in pleuts van nor binne te goan!” Hun gezichten lichtten op ze grinnikten tegen elkaar.
 De bus stopte aan het Middelheim Ziekenhuis en de djellabaman en zijn kompaan stapten af. De businhoud zuchtte, ademde terug normaal en het kakelen in de mobieltjes begon opnieuw. Mogelijke terreur doet wat met een normaal vredelievende mens..
“Je suis Edegem” was nog niet voor vandaag!


Sim, 8 december 2016