vrijdag 18 september 2015

IL FAUT DE TOUT POUR FAIRE UN MONDE




Elk jaar opnieuw eindigt het toeristenseizoen in Grau du Roi met plaatselijke feestelijkheden.  De Camargue- cowboys laten de laatste weken van september hun stiertjes weer in formatie door de straten van het stadje richting de arena lopen. Op elke hoek van de straat speelt er een opzwepend Camargue orkestje vrolijke Gipsy King melodietjes. De feestvreugde zit er goed in. We zoeken ons een zitplaatsje langs het parcours waar we de stierenloop en de passanten goed kunnen bekijken.

Buiten de nog min of meer normaal uitziende bruine septembertoeristen en de mensen, die hier hun weekendhuisjes hebben, worden de straten overspoeld door allerlei soorten malloten. Het lijkt wel dat alle instellingen, inrichtingen, gevangenissen en verbeteringsgestichten, van Grau en omstreken, al hun patiënten en gedetineerden gezamenlijk een weekendje vrijaf gegeven hebben. Langs het parcours staan overal dranghekken zodat niemand gevaar zou mogen lopen om door een losgebroken stier verpletterd te worden. Alhoewel er in vijf talen verwittigd wordt dat je tijdens de doortocht van de stieren achter de dranghekken moet plaatsnemen, houden alleen de meeste toeristen zich aan de opgelegde regels. De meeste habitués blijven onverstoord in het midden van het stratenparcours rond kuieren. Tussen de menigte feestgangers schuifelen zigeuners die iets minder in de stierenloop geïnteresseerd zijn. Wij kijken onze ogen uit. Je houdt het niet voor mogelijk wat je allemaal aan menselijke mafkezen ziet voorbij slenteren. Dikbuikige borstenmannen in slank makende zwarte T-shirts waarop in fluo letters Quick Silver staat, deinen voorbij. Aan hun waggelende eendenstap is echter niets kwieks meer te bespeuren. Het eerste kanonschot om iedereen te verwittigen dat de abrivados (stierenlopen) van start  gaan weerklinkt. De eerste Camargue- paarden met stiertjes hollen door de straten. Ze moeten echter om de haverklap vertragen omdat de menigte maar heel traag uit elkaar splijt om daarna als magneetdeeltjes terug in het midden van de straat bij elkaar te klonteren. Manlief tikt me met zijn knie aan en knikt met zijn hoofd naar de richting die ik moet kijken.

Een jonge vrouw draagt een half doorzichtige lichtroze jurk waarbij je door de wiebelende vetlagen haar voorkant niet meer van haar achterkant kan onderscheiden. Haar hoofd is zonder hals of nekpartij op haar lichaam geperst. Onder haar veel te strakke jurk kan je soms haar sinaasappelnetjes zien schommelen, met juist boven de knieën de enige overgebleven pompelmoezen. Haar met glitterspeldjes opgestoken haar lijkt op een gigantische witte suikerspin. Aan elke hand, van haar zwaaiende lillende armen, bengelen en jengelen twee toekomstig obesitasjes . Haar treuzelman schuifelt achter hen aan terwijl hij in een broodje hamburger bijt. Hij draagt een T-shirt vol ketchupvlekken met de opprint “I am the most wanted man”. Het zal wel! Manlief kan zijn lachen niet inhouden. Ze lopen met zijn vieren in het midden van de straat, blokkeren met hun uitgezakte lichamen de volledige doorgang en waggelen op het laatste moment uit elkaar als de paarden- en stierenformatie op enkele meter van hun verwijderd is. Een paar Oostblokkers staart met half gesloten ogen, al een beetje onder invloed, naar de langs drummende mensen. Zij drukken grote blikken bier tegen hun getatoeëerde blote torsos. Hun twee tronies doen vermoeden dat ze in alle landen van de Europese Unie gezocht worden. De kale zwaait met zijn knalrode T-shirt als een toreador over en weer.  Eens de cowboy- stierencombinatie bijna op zijn hoogte is, stopt hij uit schrik dat de stieren daadwerkelijk op de rode lap zouden reageren, vlug zijn shirt achter zijn rug.  De tweede heeft in beide oren oorringen die nog groter zijn dan champagne kroonkurken. Langs elke kant van zijn mond heeft hij grote schroeven door zijn lippen.  Hij draagt zijn pet achterstevoren op zijn weggeschoren haar. De stupiditeit druipt van hun gezichten, maar ze vallen totaal niet op tussen de andere wachtende simpele carnavalsgekken.

In de verte komen er twee overjarige tweelingbroers aangeslenterd. De eerste grijze broer heeft in zwart Afrika een jong, maar heel lelijk groen blaadje op de kop kunnen tikken. Ze lijkt op een overrijp vruchtbaarheidsbeeldje. De papa/opa draagt een joelende, op en neer wippende, halfbloedpeuter op de schouders, die te pas en te onpas krijst, dat de stiertjes op komst zijn. Papa kijkt trots, mama strijkt over haar dikke buik en kijkt verveeld. De tweede broer draagt een bruine cowboyhoed en een shirt met het logo van het whiskymerk JB. Over zijn buik staat de Franse vertaling van die twee letters J B: Jeune et Beau, jong en mooi. ‘Wishful thinking!’ Het is duidelijk dat deze man thuis geen spiegels heeft hangen. Ook hij, heeft zich ergens in Azië een bruidje aangeschaft. Dit kleine tengere kindvrouwtje stond vermoedelijk ook niet op de voorste rij toen de schoonheidsidealen uitgedeeld werden. Beide geïmporteerde vrouwtjes doen niet onmiddellijk aan seksuele uitwisseling denken.  Manlief klopt me op de arm: “schoon volk op kwart voor twaalf!”. Ik draai mijn hoofd om en zie een paar prachtige jonge vrouwen onze richting uitkomen. Korte shorts tot net op de bilronding, lange benen, hoge plateauschoenen, rondzwiepende haren, oorringen die glinsteren in de zon en behoorlijke toeters. Ze vallen zo totaal uit de toon tussen al die dorpsgekken dat ze door de mannen bijna als een bezienswaardigheid nagekeken worden. Ik wijs manlief erop dat de meiden echter hand in hand lopen en met een sprankelende verliefde puberblik naar elkaar lachen. Zo zie je maar..! Achter de meisjes, wankelt een anorexia dame voorbij op meer dan 10 cm hoge hakken. Zij draagt een heftig flitsend knaloranje fluo- bloesje en een heel spannende latexbroek met tijgerprint, die haar knokige billen alleen maar benadrukt. In haar luciferstokjes- arm houdt zij een bibberend Chiwawa hondje. Met haar vrije hand houdt ze haar naar voren waaiende, uitgeplozen blonde paardenstaart uit haar strakgetrokken aangezicht. Eventjes vraag ik mij af of er ook een meneer anorexia is, of heeft die misschien het hazenpad gekozen, op zoek naar zachtere en malsere oorden. Recht over ons staat er een man met een gigantische zwarte punkerhanenkam. Het blijft voor mij nog steeds een raadsel hoe hij zijn haar, met de hier vrij hevige mistralwinden zo recht kan laten staan. Hij staat al geruime tijd ongeïnteresseerd en verveeld naar zijn schoenen te staren, alsof hij verwacht dat de stieren tussen zijn tenen uit gaan springen. Zijn vriendin, waarmee hij hand in hand staat,  heeft lang roombotergeel engelenhaar dat tot over haar billen golft. Zij draagt een lange witte jurk met vaalgele plekken, alsof iemand haar onder gepiest heeft. Haar armen zijn spierwit en steken behoorlijk af tegen de andere diepbruine vakantiearmen. Regelmatig stapt ze naar het midden van de straat om te kijken of de volgende stieren nog niet in aantocht zijn en dweilt hierbij met haar jurk over de paardenstronten. We zien alleen haar achterkant die ons aan een perfect madonna beeld doet denken. Als de paardenformatie voorbij galoppeert, draait ze zich eindelijk om. Het is alsof ze als figurant weggelopen is uit de vroegere spokenserie, de Adams Family. Zij heeft een doorschijnende witte huid en in haar grote decolleté bollen twee halfblote gelatineborsten, waarop een schorpioen getatoeëerd is.  Haar ogen heeft ze met zoveel eyeliner en mascara bewerkt dat ze op een ziekelijke panda gelijkt.  Een van hun vrienden heeft al zijn hoofdhaar laten wegscheren op een pluk na. Die kleeft van op zijn voorhoofd als een vettige pladijs over zijn hoofd en eindigt achteraan in een knoetje zo groot als een druif waar een roze elastiekje omheen zit . Waar zijn short eindigt, beginnen de blauwe inkttekeningen, helemaal tot in zijn zwartgelakte schoenen. Als de stiertjes voorbijlopen, gaan de haantjes van Grau erachteraan. Met veel jong machovertoon trekken de jongens aan de staarten van de dieren. Het tonen van deze bravoure zal hun tijdens de rest van het schooljaar vermoedelijk een zeker heldendomprestige opleveren. Iets verder, naast ons, staat een tandeloze Graulien te roepen. Zijn feestenthousiasme is al behoorlijk opgeklopt met de nodige pastisdrankjes. Hij is blijkbaar ook één van de dorpsidioten die hun medicijnen vergaten in te nemen. Met zijn één nog resterende tand, zo groot als een grafsteen, grijnst hij naar de wachtende feestvierders en roept hij allerlei wartaal. Hij draagt een scheefgezakte kapiteinspet op zijn woeste grijze haardos. Zijn blauw en wit gestreepte zeemanstrui steekt in een bermudabroek met levensgrote ananas printen. Juist voor de volgende stierenloop door de straten raast, komt er een bejaard echtpaar uit een huisje dat zich langs het parcours bevindt. Ze waren beiden ergens in het Elvis tijdperk blijven steken. Het lijkt wel of ze juist van een verkleedpartijtje komen. Hij heeft gigantische zwartgeverfde bakkebaarden die elkaar bijna onderaan zijn kin terug tegenkomen en een royale zwarte vetkuif. Zij was waarschijnlijk vroeger een aandachttrekkende moordgriet met lange rode haren. De jaren hebben echter hun werk gedaan en de neplederen franje overgooier past totaal niet over haar rode bloempjesjurk. Haar rossige haar is op de zijkanten bijna helemaal weggeschoren en de resterende bos krullen boven op haar hoofd is knalrood geverfd. Manlief heeft het eventjes niet meer en allebei schateren we het uit.

Een tweede kanonsknal weerklinkt en dat betekent dat de abrivados eindigen.

Ik kan best begrijpen dat jullie denken dat ik lichtjes overdrijf.  Om de waarheid van dit verhaal te kunnen geloven, moet je deze freakshow echter wel met je eigen ogen gezien hebben. Ik kan niet van elke randdebiel een foto maken want dan zou er ondertussen al lang een prijs op mijn hoofd staan. Het is bijna onbeschrijfelijk hoe de plaatselijke inteelt hier jaren zijn sporen achtergelaten heeft.

Het zou geen slecht idee zijn als de Franse overheid alle asielzoekers, die zich in Frankrijk willen vestigen, zouden verplichten om dit weekeindje tijdens het Zuid Franse “la fête du Grau du Roi!” een kijkje te komen nemen. Elke vluchteling met een gezonde dosis intelligentie zal volgens mij hierna tweemaal nadenken. Wil hij wel integreren tussen zo’n zootje schlemielen? Ik zou het volledig begrijpen als de asielzoeker, na het bekijken van al deze psychisch gestoorden, zich zo snel mogelijk uit de voeten zou willen maken. In plaats van zijn vingerafdrukken te laten nemen en zich te laten registreren zal hij plots, luid jammerend en huilend terug de Middellandse Zee induiken en onverwijld terug naar het oorlogsgebied zwemmen.


Sim,                                 Grau du Roi 18 september 2015






zondag 13 september 2015

KAMPEERPLEZIER IN PALAVAS-LES-FLOTS


KAMPEERPLEZIER IN PALAVAS –LES-FLOTS


Als doorzomerde kampeerder maak je natuurlijk al eens iets mee op de camping, soms leuke maar soms ook heel vervelende dingen.

Zo kampeerde ik, in mijn vorig leven samen met mijn ex- echtgenoot en zoonlief Tom, met de caravan in camping Les Roquilles in Palavas. Palavas-les-Flos, in de Languedoc-Roussillon, was een Middellandse Zee insteekhaventje dat de meeste visserij achter zich gelaten had en zich met de jaren gespecialiseerd had in het ontvangen van toeristen. Voor een gezellig restaurantje of een toeristenwinkeltje moest je toen heel goed zoeken. Door één of ander misverstand of verkeerd aangebrachte informatie, van hun nog prille dienst voor toerisme, rezen er langs de waterkant niets dan ijssalons uit de grond. Overal zag je vakantiegangers achter immens grote, met parasolletjes versierde, dure ijscoupes, versuikerd de stoet passanten bekijken. Het was begin juli en het echte Franse toeristische seizoen was nog niet helemaal begonnen. Na de jaarlijkse viering van de Franse nationale feestdag op le 14 juillet, werden de meeste Franse staatsburgers maar eerst vakantiewakker. Op 1 augustus bumperden ze dan met zijn allen tegelijk op de Franse autosnelwegen richting de vakantieoorden.

Op camping Les Roquilles resideerden dus begin juli meestal Nederlanders, Duitsers, Belgen en een handjevol Franse caravantoeristen.

De campinganimatie was per 1 juli van start gegaan en een look alike Claude François, met drie namaak Claudettes, opende het nieuwe vakantieseizoen. De festival dj’s, met hun oorstop- bonkmuziek, waren nog niet uitgevonden. Ik kan jullie echter verzekeren dat als je tot bijna middernacht non stop naar Clo Clo gejank moet horen, je ook naar een rustgevende cd van huilende dolfijnen of ruisende bomen ging verlangen. De volgende avond stond er een “miss Roquilles”- verkiezing gepland, maar buiten een drietal Franstalige dikke billen dragonders kwam er niemand van enige schoonheid op dit evenement af. Drie dagen later kwam er ’s avonds een grote tourbus de camping opgedraaid, met in het wit verklede ziekenhuisanimators die, alleen in het Frans, het gevaar van SIDA kwamen uitleggen.  Het was eind jaren 80 en de meeste mensen hadden, buiten het overlijden van Rock Hudson aan Aids, praktisch nog nooit over deze ziekte gehoord. Laat staan dat het Franse woord SIDA bij de meeste buitenlandse, niet Franstalige campinggasten een belletje deed rinkelen. Naast de campagnebus stonden twee grote manden met leuk ingepakte snoepjes, waar iedere voorbijganger een grabbel in deed. Het waren geen zuurtjes, geen kauwgommen maar condooms die gratis aangeboden werden. ’s Anderdaags zag je op verschillende plekken kinderen met water gevulde rubbertjes naar elkaar smijten.

Enkele dagen voordien, hadden er een vijftiental Duitse tieners hun tentjes kris kras tussen onze caravans opgesteld. Met een uitdagende blik naar de andere caravankampeerders en met heel veel bravoure wees de jonge begeleider de plaatsen aan waar ze hun tenten konden opzetten. Het was een soort scouts- groep, die de luxe van een camping prefereerden boven een gehuurd stuk verlaten weiland, waar ze zelf een toiletput en eigen geïmproviseerde  douches moesten fabriceren. Met enige ergernis zagen we diezelfde dag de campingplaatsen al in een replica van de stortplaats de Hoge Maai veranderen. Overal lagen lege bier- en colaflessen, restanten van stokbroden, plastiek bordjes en verfrommelde natte handdoeken in het zand. De ganse voormiddag speelden de hangmeisjes kappertje en lagen ze van verveling, voor hun tentjes, hun teennagels te lakken. De jongens werkten op de vakantiezenuwen door eindeloos met de bal te stuiteren en elkaar luid joelend te stangen. In de namiddag slenterden ze, verplicht door de begeleiding, naar het strand. Dat was het enige moment van rust rond onze campingplaatsen. In de late namiddag lagen ze, opnieuw rusteloos, her en der tussen hun tentjes verspreid te niksen. De begeleider zette dan de cd- speler op en Duitse popmuziek schetterde door de kleine luidsprekertjes, totdat ’s avonds de herrie van de campinganimatie weer begon.

’s Nachts leek de energie terug in de Duitse lijven op te borrelen en werd de voorbije dag, onder het hijsen van het nodige bier, nog luid lachend besproken. Sommige van de omliggende caravankampeerders hadden al geprobeerd om met deze door verveling geplaagde tieners in conversatie te gaan. Zij reageerden noch op Franstalige, noch op Engelse vragen. De groep haalde de schouders op en wees naar een gifgroen tentje. De begeleider, die zelf teveel bezig was met vakantievieren, liet zich echter nergens zien.

Na enkele dagen waren er al enkele stelletjes gevormd. Tongzoenend lagen ze voor de tentjes aan elkaar te frunniken. Dat was het enige moment dat hun kwettermonden stil waren. De niet tot vrijen uitverkoren exemplaren kegelden met een zekere verontwaardiging de inmiddels groeiende stapel lege bierblikjes met een bal omver. De kamperende omgeving werd het stilaan zat. Wat bezielde een campingbeheerder om zo’n bende jongelui tussen de andere kampeerders in te betten? Ik sommeerde mijn ex-man om eens met dat storende zootje ongeregeld te gaan praten. Mijn ex stotterde alleen Nederlands en de enige Franse, Engelse en Duitse woorden die hij kende, kwamen er alleen uit nadat zijn stembanden met sloten alcohol bevoorraad waren. Als er ook maar, in eender welke situatie enige actie ondernomen moest worden, verschool hij zich achter mijn smalle schouders. Mensen die mij kennen, weten uit ondervinding, dat eens bij mij de druppel over de emmer sijpelt, ik al snel de koe, in welke voertaal ook, bij de horens neem. Ik wilde niet zo’n receptieklager zijn alvorens recht op de man af te stappen en eerst mijn beklag aan de begeleider te doen. Mijn huidige manlief, met zijn talenknobbel, was nog niet in mijn leven verschenen en dus moest ik zelf de Duitse kastanjes uit het vuur halen. Ik stapte dus naar één van die hangjongeren. Vermits mijn vader tijdens de Tweede Wereldoorlog bij de weerstand was geweest, lagen sommige Duitse woorden nogal gevoelig. Ik vroeg de jongeman dus in mijn beste Duits: “Wo ist Ihre Leitung”?

De tiener staarde mij over zijn zonnebril aan en gebaarde verveeld dat ik hem moest volgen. Wij stapten tussen de kleine tentjes door, struikelden over touwen en tentharingen, lege pizzadozen, hopen vuile was, zonnecrèmes, toiletzakken en stinkende schoenen. De puistige tiener bracht mij in de richting van de haag, recht naar de waterkraan…:”Das ist unsere Leitung”. Toen ik hem, wat uit mijn Vlaams lood geslagen en grinnikend om mijn blunder, probeerde uit te leggen dat ik geen water zocht maar alleen de man wilde spreken die de leiding over hun kamp had, kwam bij hem het geladen woord eruit: “Aha unser Fuhrer!”. ‘Unser Führer’ kon op dat moment niet gestoord worden, want die lag juist in zijn gifgroene tentje te rampetampen en de gratis verkregen condooms uit te testen met één van de, met teennagels gelakte, meisjes. Toen ik mijn rampzalige interventie een beetje lacherig aan de andere buren- caravanbezitters uiteenzette, was voor de meesten de maat vol. Gezamenlijk zijn ze toen richting receptie gestapt. De volgende uren werd de kampleider uit zijn tent gesleurd en behoorlijk, in het voor hem onverstaanbare Frans, op de vingers getikt, dat hij zoals afgesproken zijn tentjes aan de andere kant van de camping had moeten opzetten.. Als er nog een reclamatie over zijn groep aan de receptie vermeld zou worden, werd de ganse boel onverbiddelijk de camping uitgezet. Het Duitse kamp werd onder luid gemor opgebroken en de tenten werden helemaal aan de uiterste lege kant van de camping terug opgezet.  De campingbeheerder mocht na hun passage alle achtergelaten rotzooi uitmesten. Het was vergelijkbaar met een heden ten dage ontruimde muziek-festival campingweide.  Ik, diegene die zich wel in het vijandelijk kamp had durven begeven, maar niet naar de receptie was gaan klagen, kreeg wel alle giftige Duitse blikken. Vanaf die dag sloop “der Fuhrer” en zijn troepen met veel minder bravoure onze caravans, richting douches voorbij.

Tijdens diezelfde vakantie, sliep zoonlief Tom, toen zo’n 11 à 12 jaar, voor het eerst alleen in een tentje naast onze caravan.  Mijn moederlijk brein registreerde

vanaf dat moment ‘s nachts, elke hoest, elke nies, elke snurk en elk abnormaal geluid. Het was stikkend heet en we hadden de voortent niet toe geritst. Alle ramen stonden open om de nachtelijke bries binnen te laten. Opeens hoorde ik gestommel in onze voortent. Ik zat al half recht in bed, toen een bruine hand de caravangordijntjes opzij duwde en er een flashlicht recht in mijn ogen scheen. Ik gilde en riep in het Frans naar de zigeuner wat hij verdomd in onze tent kwam zoeken. Hij antwoordde grijnzend dat hij alleen maar toiletpapier zocht om naar de wc te gaan en koos vervolgens het hazenpad. Ik sleurde aan mijn ex en duwde hem bijna het bed uit. Ik hoopte dat hij wat de mannelijke held zou uithangen en riep dat hij achter de zigeuner aan moest gaan. In plaats van te reageren, versperde mijn ex-echtgenoot, als een bibberend konijn, de doorgang en zei dat hij geen zin had om een mes in zijn lijf te krijgen. Het werd de zoveelste slapeloze nacht. Toen Tom, die gelukkig door alles doorgeslapen had, de volgende morgen ons verhaal hoorde, antwoordde hij heel laconiek, terwijl hij naar de lege wasdraad wees: “Ja mama, je had die man wel beter wat wc papier gegeven hoor, want nu veegt die zigeuner waarschijnlijk zijn gat af aan onze drie gestolen strandlakens!”

Alhoewel er vanaf dat de zon onder was gegaan bewakers met honden op de camping patrouilleerden, waren de zigeuners er toch in geslaagd deze naar één kant van de camping te lokken. Via de andere kant plunderden ze alles wat los of vast zat uit voortenten en verlaten caravans. Campingtafels, stoeltjes, tv toestellen, flessen drank uit ijskasten, bikini’s, oventjes en strand- en badhanddoeken verwisselden van eigenaar. Dus met drie gestolen strandlakens kwamen wij er nog goed vanaf. Alleen het respect voor mijn ex- echtenoot kreeg op dat moment zo’n deuk die nooit meer uit te blutsen was.


Sim                            13 september 2015  Grau du Roi

zondag 6 september 2015

TROTZDEM



We zitten op het strand van camping Le Boucanet. Schuin voor ons ligt er een vrouw op een rood ligbed. Iedereen die in een straal van 2 meter zijn stoeltje of zijn strandlaken naast haar durft neer te leggen, krijgt van haar een dodelijk blik. Ze kijkt verwijtend naar de spelende kinderen die in haar buurt een put graven en houdt met chagrijnig neerwaarts gerichte mondhoeken twee kleuters in het oog die elkaar met waterpistolen natspuiten. Ze is waarschijnlijk kinderloos, zont alleen en ergert zich de ganse tijd aan alles en iedereen. Haar man komt in de late namiddag, als een overjarige macho, het strand opgewandeld. Hij heeft zijn strandlaken over de schouder geslagen, een ipod tussen het elastiek van zijn zwembroek en oortjes in. Nadat hij zich wat narcistisch op het strand rondgedraaid heeft en zich als een echte macho langs alle kanten door het vrouwelijk resterende schoon heeft laten bekijken, laat hij zich naast haar neerzakken.  Zij begint te gesticuleren hij verwijdert verveeld een oortje. Wij horen aan haar verontwaardigde afgekapte uitleg dat het Duitsers zijn. Echt gelukkig lijkt de zanikdame niet te zijn. Zij wijst weer geïrriteerd naar de jongelui, die juist achter hen, met de bal beginnen te spelen. Ik hoop dat de voetballetjes een flinke schep zand in hun richting doen verstuiven.

De Duitsers hebben beiden een hautaine air over zich alsof ze juist dit stukje strand op de Fransen veroverd hebben.

’s Avonds gaat bij ons de televisie aan. Het Vlaamse zevenuur journaal wordt via de satellietantenne eventjes binnengehaald. Alhoewel we met vakantie zijn,  willen we toch van al het wereldleed op de hoogte blijven. Na het nieuws gaat de televisie uit. Rond half negen kijken we beiden een uurtje, bijna in stilte, via een kabeltje van de pc naar de tv, naar een ondertitelde aflevering van een bekende televisieserie, door zoonlief voor ons gedownload . Als manlief daarna nog niet genoeg nieuwsellende gezien heeft, zapt hij, met de hoofdtelefoon op, van het ene naar het andere kanaal. De caravan is dan in absolute stilte gehuld, zodat ik ongestoord kan lezen of mijn verhaaltjes kan voorbereiden. Ik ben nogal allergisch voor avondlijk burengebabbel en allerlei camping- animatie- nachtlawaai. Ik verwacht dan ook dat iedereen rond tien, elf uur stil is. Daarom zoeken wij steevast een camping uit zonder randanimatie. Vermits ikzelf de hartslag van een muisje kan horen, dat op 2 km in zijn holletje ligt te woelen, moet voor mij de televisie dan ook niet te hard staan en moet manlief van mij verplicht zijn hoorapparaten in. Dus stort de Belgische nieuwsanker bijna op fluistertoon de asielcrisis over ons heen. Plots horen wij naast ons een geroep. Het klinkt een beetje als “aufmachen” maar dan anders. Wij zijn ons van geen kwaad bewust en kijken verder naar de op de Middellandse Zee aanspoelende bootvluchtelingen.

Drie kwartiertjes later gaat de televisie uit en happen wij juist in ons stokbroodje, als er een vrouwengezicht naast onze voortent verschijnt. Mijn eerste idee is: “Verdomme, die Duitse kakkers, van op het strand, kamperen juist naast ons. Ze gaan toch hun klaagterritorium niet van het strand naar de camping verhuizen?” Wij hadden onze Duitse buren, tot nog toe, niet te zien gekregen, want voor hun eigen luifel hebben zij een touw gespannen en verstoppen ze zich al de ganse tijd achter een reeks supergrote opgehangen strandlakens.

”Ja hoor eens”, zegt de moffenzeur “mijn man heeft last van jullie televisie!” Wij kijken haar vol ongeloof aan en mijn Duitse woordenschat stokt ergens in mijn keel. Niets is zo ergerlijk als onterecht van iets beschuldigd te worden. Manlief zijn Duitse grammatica komt echter vloeiend aan de oppervlakte.  “Ach was dat Uw man, die daarstraks zo’n gebrul liet horen, hoort U nu misschien nog geluid van de televisie? Komt U nu klagen omdat wij een half uurtje naar de nieuwsuitzending kijken? Hoe lang staat U al op deze camping?” “Al meer dan twee weken.” Dus U heeft de laatste twee weken van augustus de campinganimatie nog meegemaakt. Leuk dat de kinderdisco al om acht uur begon, niet en dat U dan tot ruim na middernacht van de, door de luidsprekers versterkte, camping bonkmuziek heeft kunnen genieten. Stond U dan ook elke morgen in de receptie om hen in te peperen dat het veel te lang en veel te luid was?”  Haar mondhoeken gaan nog meer naar beneden hangen. “Trotzdem…” “Ach”, gaat manlief verder, “wat had U gedaan indien er op onze campingplaats, in plaats van twee stille gepensioneerden, een troep luidruchtige jongelui met een tentje gestaan hadden?  Kan U het zich voorstellen?  Ter voorbereiding van de oktober bierfeesten, elke avond een groepje bierhijsende en luid lachende Duitse tieners, zittend voor hun iglo- residentie? Of misschien een jong stelletje met een baby, die elke morgen bij het eerste ochtendgloren brullend om zijn papfles jammert? “Trotzdem..””Denkt U niet dat als de Franse buren naast ons, mobiel telefoneren, wij niet woordelijk verstaan wat ze te vertellen hebben en ontdekken welk weer het in Parijs bij de kinderen is? Van de Engelsen aan de overkant, die beiden dringend aan een paar hoorapparaten toe zijn, weten wij elke dag wat ‘My Luv’ voor het diner gaat klaarmaken. We staan hier wel met zijn allen op enkele vierkante meter en als dat half uurtje nieuws het enige zogezegd lawaai is waarover Uw man zich druk kan maken, dan begrijp ik niet waarom hij de godganse dag met muziek in de oren rondloopt…” “Ja aber trotzdem”. Adolf laat zich tijdens de ganse discussie niet zien en blijft veilig achter zijn handdoekenbarrière zitten. Mijn Nederlands- Duitse vertaalapplicatie is stilaan in mijn hersenen opgeslagen en ik zeg bijna tegen het Rüdesheimer- vrouwmens: “Sorry, wir haben es nicht gewusst!”*, maar kan nog net op tijd op mijn tong bijten. Zij haalt haar schouders op, trekt misnoegd met haar mond, klakt met haar teensletsen tegen elkaar en verdwijnt richting de Heimat- caravan.  Wij hebben ze niet meer gehoord, zij ons Vlaams zevenuur journaal nog wel.

Vrijdagavond palmen een paar Franse weekendtoeristen de nog vrije plaats naast het Duitse territorium in. Twee stelletjes, met een van vermoeidheid huilende kleuter, beginnen rond de klok van tienen hun tentharingen in de grond te timmeren. Vervolgens pompen ze, onder luid gebabbel, met een elektrisch machientje de vijf luchtbedden op. Ik hoor Fritz weer iets zoals “sofort” brullen. De jonge kampeerders reageren niet en Duits tandengeknars stuitert over de camping. De jongelui zitten nog laat voor hun tentje, rappen, lachen en klinken met enkele glazen pastis op het zonnige weekeinde. Wij vinden zelf ook dat de nieuw aangekomen tentkampeerders teveel kabaal maken, maar nu lachen we toch in ons vuistje!

Ik had zelf, voor onze Duitse buren, geen beter ergernisscenario kunnen bedenken!

 Voor mijn jeugdige lezers :

*Wir haben es nicht gewusst : dit is de zin die de Duitse bevolking na de Tweede Wereldoorlog steeds weer opnieuw antwoordde, toen men hen vroeg waarom ze niets aan de nazi concentratie- en vernietigingskampen gedaan hadden, waar zoveel miljoenen Joden, zigeuners en homo’s het leven lieten. Wir haben es nicht gewusst, wij wisten van niets….zogezegd! 

Sim           Grau du Roi, camping Le Boucanet        6/9/2015



donderdag 3 september 2015

ZUID FRANSE STRANDEN


Vannacht is weer duidelijk het bewijs geleverd dat vrouwe Alla de hemel over onze contreien aan het overnemen is. Zij duwde God de Vader en zijn mannelijke pauselijke aanhang meer en meer richting Noord- en Zuid Amerika om daar nog wat gelovige zieltjes te winnen. De Getuigen van Jehova mochten van haar nog een beetje in Europa rondzwalpen. Zij vindt het nog steeds superleuk om te zien hoe deze zendelingen, keer op keer, zowel bij de inlandse bevolking als bij de nieuwe moslimburgers, de deur tegen hun eigen façade krijgen. Alla kijkt vanuit de hemel naar haar oprukkende exodus. Zij is er zeker van dat er in Europa nog meer dan plaats genoeg is om haar islamitische achterban te verwelkomen.  Als zij over haar nieuw stukje Europese hiernamaals zweeft, laat zij haar hemelse oog vallen op de stranden van de Languedoc-Roussillon. Zij schrikt zich een hoofddoekje. Zijn dat lijken die daar allemaal op hun buik, langs de kustlijn aangespoeld zijn? ’t Is tenslotte de Middellandse Zee! Neen, het zijn waarschijnlijk dolfijnen of walvissen. Als ze wat beter kijkt ziet ze dat het dikbuikige zonnekloppers zijn. Zij vindt het een eigenaardig fenomeen, dat hier ook mannen en vrouwen, waarbij de vruchtbaarheiddatum al ruim overschreden is, met een pens ouderdomsspek rondlopen, alsof ze binnen de maand van een voldragen vetbobbel moeten bevallen. Zij laat haar religieuze blik over al de stranden van Zuid Frankrijk glijden en begint echter weer te twijfelen. Moet hier haar volksverhuizing integreren? Blijkbaar zijn hier de mensen zo arm, dat ze zich zelfs geen normale kleding kunnen veroorloven. Zij aan zij liggen ze, praktisch in hun blote reet, in de zon te bakken en te braden. Hier ziet zij voor de eerste keer het werkelijke bewijs dat de Europeanen er alles aan doen om zo snel mogelijke het Arabische of Afrikaanse kleurtje te krijgen zodat de nieuwe burgers zich onmiddellijk welkom zouden voelen.  Ze begrijpt echter niet waarom er op die goudgele stranden zoveel vrouwelijke exemplaren met hun blote, verschrompelde, hangende, valse silicone -en watermeloen tieten pronken. Eventjes verder lopen ze zelfs helemaal naakt. Mannen waarvan de viriele vervaldatum met prostaat bedreigd wordt en vrouwen waarvan de overgangsopvliegers al behoorlijk verleden tijd zijn, laten alle genotattributen schaamteloos zwieren, schommelen en waggelen als ze langs de vloedlijn in de brandende zon beachbal spelen. Alla is compleet uit haar lood geslagen. Hier zal ze straks wat erectiestoornissen en hartinfarcten moeten uitdelen. Ze is er inmiddels achter gekomen, dat dit naaktfenomeen totaal niets met armoede te maken heeft, maar volgens haar, gewoon een decadent gevolg is van het Westerse denken. Diezelfde blote zonaanbidsters gniffelden daarstraks nog: “Of het soms al terug carnaval was”, toen er twee ingepakte moslima’s pootjesbadend voorbij kwamen wankelen, hun lange jurken door het zoute water sleurend. Niet alleen de oudere senioren maar tevens de jonge vers geïmporteerde islamitische mannen gluren geil naar de bruine hangtieten en de door de wind opstaande frambozentepeltjes.  Het is ‘Allahemeltergend’, aan die neerbuigende en uitdagende mentaliteit zal ze de komende jaren behoorlijk moeten werken! Nergens geen badpak, bikini, monokini of een nudist meer, alleen nog boerkini’s en vanaf nu, mannen en vrouwen gescheiden op het strand en de zee in!

Duizend bommen en granaten! Ze heeft in haar nieuw veroverd stukje Europese hemel al behoorlijk haar vrouwtje moeten staan. Niets dan miserie had ze met die nog niet bekeerde mannetjes. Vorige week kwamen er vier verongelukte, in alcohol gemarineerde midlifemannetjes aan haar hemelmoskeepoort aan. Ze hadden hun zielenleuter al paraat in de hand. Ze joelden en zeurden om die 70 maagden, die Alla hun zogezegd beloofd zou hebben. Toen ze voor de zoveelste keer uitlegde, dat dit een slechte vertaling was, dat het hier alleen maar om 70 druiven ging, maar dat ze dit zo lang mogelijk verzweeg om de zelfmoordterroristen niet te ontmoedigen, was de hemel te klein! Ze gilden dat ze dan liever terug opteerden voor de traditionele rijstpap met gouden lepeltjes. Toen ze hen bekeek en zei dat ze voor goddelijke rijstebrij een tiental jaren eender de geest hadden moeten geven, of minstens een ander werelddeel hadden moeten uitzoeken om naar de eeuwige jachtvelden op te stijgen, waren de rapen gaar!  Problemen, problemen..Indien Alla ze zelf niet meer kan oplossen, zal ze de wijze raad van haar zuster Sjaria moeten inroepen. Nu ze eindelijk die Christelijke mannelijke encycliek verdreven heeft, zal ze zich zelf persoonlijk met de vrouwen in het westen bezighouden. In het begin zullen deze Westerse dames misschien wat zweten onder die lange jurken, maar alles went. De doorsnee Europese vrouwen zullen nog wat onhandig aan die hoofddoekjes frunniken, maar als alternatief kunnen ze nog steeds voor de totaal verhullende, snel overgooiende boerka kiezen. Als Alla wat later, vanaf haar wolk, tijdens de seniorenvakantietijd opnieuw over het strand uitkijkt, kan ze alleen maar besluiten dat voor de meeste bejaarde najaarstoeristen deze kleding een geweldige verbetering zou zijn.. Mooi of lelijk, dun of dik, kort of lang, een doek erover! Om al het bloot in één keer van de stranden te vegen moet Alla nog eventjes een studie maken. Ze heeft al een Middellandse Zee tsunami in gedachte.  Vannacht zal ze als voorproefje al eens een staaltje van haar hemelse macht tonen. Met luid dondergeroffel, flitsende bliksems, hagelstenen en bakken water laat Alla aan de bange blanke man en vrouw horen dat het haar menens is!

 

Sim                                 Grau du Roi, 6/9/2015