maandag 1 december 2014

VIETNAMESE ZELFMOORDPOGING






Manlief en ik hebben in de jaren dat wij samen rondreizen al verschillende zelfmoordpogingen ondernomen.  Zoals jullie kunnen lezen, zijn ze gelukkig, voor ons, allemaal mislukt.

In een ver en onderontwikkeld vakantieland wil je spanning en avontuur en aan  eventuele desastreuze gevolgen wil je op dat moment helemaal niet denken. Er hangt een aura van onsterfelijkheid rond je en je bent jong en roekeloos.  Enfin wij waren ondertussen al niet meer zo piepjong maar we waren wel overmoedige nieuwsgierige waaghalzen.

In Vietnam ondernamen wij gezamenlijk onze allereerste zelfmoordpoging. Ons hotel bevond zich langs de ene kant van de drukke verkeersader, alle bezienswaardigheden van Hanoi  zaten aan de overkant. We stonden beiden langs de kant van de straat en bekeken de aanhoudende stroom vrachtauto’s, auto’s, moto’s, brommertjes en fietsen die langs alle kanten zigzaggend voorbij scheurden. De fietsen waren zo hoog en breed beladen met koopwaar en kwamen met slingerbewegingen nauwelijks vooruit. Op een brommertje zat niet één, zaten geen twee maar soms vier mensen helmloos maar breed lachend met de nodige bagage op elkaar geplakt.  De meeste bestuurders droegen een mondlapje om de uitlaatgassen tegen te houden. Daartussen toeterden de toeristenbussen en het openbaar vervoer. Claxonnerend, bellend en roepend koersten ze allen kriskras door de straat, reden frontaal op elkaar af en draaiden op het laatste moment het stuur om. Zebrapad of verkeerslichten geen enkele gemotoriseerde Vietnamees verleende voorrang. De doorsnee spleetoog stapte gewoon met een zekere doodsverachting zonder rondkijken de straat op en de brommertjeszee spleet als de Rode zee uit elkaar. Manlief nam me bij de hand en dwong mij het voetpad af. Ik volgde hem aarzelend, met één voet nog op de stoep, de andere schoen al tussen het moordende verkeer. Ik hield mijn ogen stijf gesloten en met een heel groot ei in mijn broek, sleurde manlief mij naar de overkant van de drukke straat. Niet terugdeinzen, niet twijfelen gewoon zoals de Vietnamees, onbevreesd doorstappen.  De kamikazechauffeurs hadden ons wonder boven wonder volledig ontweken. Na enkele dagen werden wij zelfs verkeersovermoedig en ondernamen wij onze volgende suïcideactie. Wij huurden een ‘fiets toek- toek’ richting museum. Wij lieten ons in de stoeltjes van een overdekte stootkar zakken.  Zonder enige beveiliging vooraan werden wij door de fietsende eigenaar achteraan, als levende projectielen in het verkeer en het kabaal gestoten.  Ik had de camera in aanslag en het zou een uiterst spannend filmpje worden. De man trapte alsof zijn leven ervan af hing, hij fietste zich bijna letterlijk een ongeluk. Hij slalomde tussen de fietsers. Hij sprintte met zijn fietstaxi alle brommers voorbij. Het werd een helse rit, een Disneyland Space Mountain attractie waardig. Onze stuntman probeerde een auto in te halen, bleef op de tegenovergestelde richting voort peddelen en reed pal een autobus van het openbaar vervoer tegemoet. De bus kwam angstaanjagend toeterend dichterbij.  Wij gilden en sloegen wild met onze armen in de hoop dat onze fietsbestuurder onze gebaren en waarschuwingen boven het zeteltje zou zien. De schrik sloeg ons om het hart. Mijn fototoestel bengelde al lang werkloos rond mijn arm. De film met het rampscenario ‘the final collision’ zou nooit in België bekeken worden.  Onze horrorchauffeur leek stekeblind en doof. We hotsten en botsten. We zochten een uitweg maar de snelheid waarmee we trappend in de verkeerschaos voortgestuwd werden, hield ons bang in het karretje geklemd.

Ofwel hadden de remmen van onze toek-toek fiets het begeven ofwel hield onze fietsheld van spannende thrillers. Juist op het allerlaatste moment, op 10 centimeter voor de luid claxonerende bus, draaide de snelheidsduivel het stuur om en vloog onze ‘taxi-velo’ langs de tegengestelde richting, de stoep op. Onder luid protest sprongen de voetgangers alle kanten op. Krijsende verkopers veerden op en liepen met gebalde vuisten achter onze kamikazeheld aan. Hij ontweek op een haar na de gehurkte ‘straat-restaurant-eters’.  Iets verder stopte onze James Dean en met een brede glimlach, zich totaal van geen kwaad bewust, wees hij op het museum en zei: ”Xin vui lòng, viện bảo tang” wat zoveel betekende als “Alstublieft, zie hier het museum”.  We scharrelden bibberend  onze rugzak en fotocamera bij elkaar, betaalden onze superman en strompelden totaal van de kaart uit het fietskarretje. Met een ‘big smile’ zei hij:” I wait for you, go back to hotel,  good price!” Wij bedankten beleefd en zagen af van het gunstig retourprijsje naar het hotel.  Aziatisch geel en groenig bleek liepen we met knikkende knietjes in het museum rond. Hoever de terugweg naar het hotel ook zou zijn, ons kregen ze nooit meer in een Vietnamese ‘fiets toek-toek’. Wij gingen nog liever te voet zigzaggend de Vietnamese pijp uit.
 
 




Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ik hoor heel graag van jullie wat jullie van mijn verhaaltjes vinden ?