dinsdag 13 september 2016

HELAAS PINDAKAAS

Sinds enkele jaren voert mijn lichaam een gevecht tegen allerlei voedselallergieën. Als kind had ik al last van een melkintolerantie, zodat ik ook nu nog bij elk dessert moet wikken en wegen hoeveel melk, room, of naar melk smakende pudding of ijs, mijn lichaam zonder problemen kan afvoeren. Nu heb ik er onlangs een look- en champignonallergie bij gekregen. Argeloos één lepeltje saus eten,waar deze ingrediënten in verwerkt werden, kan voor mij reeds resulteren in een namiddag, een avond en een nachtje krampachtig pot zitten met de rol toiletpapier op mijn trillende knieën. Daarboven op komt nog mijn schelpallergie, door op een welbepaalde vakantie teveel oesters en mosselen van Bouzigues te hebben gegeten. Mosselen, oesters, messen, venusschelpjes en sint jacobsschelpen behoren sedert jaren tot het verleden. Eventjes het lot tarten en een mosseltje meepikken, leidt niet alleen tot helse kolieken maar doet het licht uit in mijn hersenpan en laat me gewoon tegen de vlakte gaan. Dus vrienden moeten voor elk etentje op de hoogte gehouden worden van mijn allergie evolutie, in het restaurant moet ik het menu tot in het kleinste detail bestuderen of een welwillende kok vinden die de boel wil aanpassen.
In mijn ‘pre-allergisch tijdperk’ ging het er dus helemaal anders aan toe. Tijdens onze wereldreizen zetten wij onze tanden in alles wat wij enigszins door de lokale bevolking als voedsel aangeboden kregen. Hoe uitzonderlijker of vreemder, geurend of stinkend, soms smakkend van genot, soms rillend van afkeer, het ging er allemaal probleemloos in.

Men had ons echter verwittigd om tijdens een Egyptische Nijlcruise, alles te pellen en geen gewassen sla of rauwe groenten te eten. Dus tomaten en zelfs dadels werden geschild. Na een uitstap naar de vallei der Koningen, kieperde ik, en met mij bijna alle medepassagiers, op één onoplettend momentje toch een aangeboden citroendrankje achterover. Na een uurtje stond er een lange rij toeristen met reizigersdiarree aan de receptie om de lokale, volgens de reisbegeleider, veel beter werkende anti-diarreepillen te krijgen. Na inname stopte binnen het uur de spuitpoep en het reisprogramma kon zonder borrelende darmen voorgezet worden. Nadien bleek, dat er sinds die dag helemaal niets meer op natuurlijke wijze mijn lichaam verliet en er blijkbaar ook geen ruimte meer over was om er nog voedsel bij te proppen. Toen we na een weekje Nijlcruise in Cairo aangekomen waren, kwam ik na het bezichtigen van de piramides, met hevige kolieken en koorts terug de hotelkamer in waggelen. Manlief, die mij reeds terug naar België gerepatrieerd zag worden, charterde een taxi en reed in het avondlijke Cairo op zoek naar een apotheek. Toen hij terugkwam, vond hij mij hevig zwetend en koortsig vloekend op de Farao, in een bruine kliederboel naast de wc pot liggen. Hierin was ik juist bevallen van een kachelpijpdikke, half versteende, gigantische mega bruinzwarte salamidrol, gevolgd door een walgelijk stinkende racekaksmurrie- explosie die de volledige toiletpot vulde. Manlief waste me, legde mij in bed en deed me de Egyptische medicijnen slikken. Ook dit is liefde. Vervolgens besteedde hij de rest van de nacht, hevig kokhalzend, om die vloek van de faraostront door de Egyptische afvoerbuizen weg te krijgen. Maar hoe dikwijls manlief de wc ook doortrok, de gedurende één week opgespaarde Egyptische voedselstront weigerde richting riool te vertrekken. De substantie blokkeerde de afvoer en de toiletpot bleef zich vervolgens tot de rand toe opvullen met een ranzige bagger. Toen ik bij het ochtendgloren, door de eerste Allah Akbar, die over Cairo werd afgeroepen, wakker werd voelde ik mij een totaal andere toerist! Eens de faraovlaai eruit was, kreeg ik na een kleine week dieet en onthouding eindelijk opnieuw honger. En yes, ik was enkele kilo’s kwijtgespeeld en dus zoals wijlen Johan Cruyf steeds zei: “Elk nadeel heb ze voordeel”!

Onze drang naar avontuur en de ontdekkingsreis naar allerlei lokaal voedsel ging onverminderd verder. Zo aten wij in Thailand, onder luid gegil van onze medereizigers, allerlei gefrituurde sprinkhanen en insecten die lekker naar chips smaakten. In plaats van mee aan te schuiven aan de rijkelijk gevulde hotelbuffetten, liepen wij tweetjes de straat op en gingen naar het restaurantje juist om de hoek. Wij spraken geen Thais maar Engels, de man achter het eetstalletje sprak geen Engels alleen Thais. Met de universele gebarentaal van “wij willen eten”, bracht de eigenaar ons zo trots als een pauw, als de Keizer en de Keizerin van China, naar twee plastiek stoelen bij een kwakkelend tafeltje achter zijn naar kokos en curry geurende kookpotten. Wat we allemaal gegeten hebben weten we niet zo direct te benoemen, maar het was heel lekker. Nog voor we onze stokjes tot aan onze lippen konden brengen, was de Thaise tamtam al rondgegaan en kwamen twee trotse grootouders hun pasgeboren kleinkind aan deze twee toeristen tonen. Verlegen vroeg de oude vrouw of ze soms eventjes over de buik van manlief mocht wrijven, want wrijven over de belly van pappa Boeddha bracht volgens hen geluk! We hebben daar voor 1 US$ gegeten en het duurste was vermoedelijk de originele coca cola die ze in de aanbieding hadden.

 In Ecuador kochten wij aan een plaatselijk  barbecuestandje gegrilde cavia’s. In Riobamba kweekten de marmotten als konijnen en smaakten er ook naar. Terwijl onze medereizigers aan hun jeugdmarmotjes dachten en ons rillend bekeken, peuzelden wij aan die caviagrill en kloven wij smaakvol de beentjes af. In Zimbabwe wilden we tijdens een etentje zeker de locale aangeprezen delicatesse proeven. De kelner bracht heel trots op een soort gebak toren een paar lagen zwarte wormen. Niet meteen ons idee van lekkernij, maar in Victoria Falls een gegeerde knabbelspijs. Dat laatste was ook hetgeen er oranje blubberig en kleverig uitspoot als je op de worm beet. In Zuid Afrika logeerden wij in bungalowtjes in een ananaskwekerij. In een soort schuur had de eigenaar een lange eettafel klaargezet met daarop zoiets dat er uitzag als rijst met rozijnen en noten. Juist toen wij allemaal ons bord vol geschept hadden, ging het licht uit. De ananaskweker haastte zich om overal kaarsen neer te zetten, wat dan weer de insecten massaal aantrok. Overal hoorden en voelden we ze fladderen en zoemen. Ik ben er vrij zeker van dat ik op dat moment een aantal levende en bewegende rozijnen weg gekauwd heb…

Toen we in Vietnam bij de lokale bevolking sliepen, kregen wij ’s avonds een heel lekker stoofpotje voorgeschoteld. Wij konden niet onmiddellijk thuisbrengen wat we juist aan het eten waren. Toen we de homestay- eigenaar erbij haalden, bleef hij maar nee knikken op onze vraag of we koe, varken, kip, geit of lam aan het eten waren, maar toen we blaften, lachte hij heel geheimzinnig…Ach misschien had hij Boomer of Lassie wel moeten opofferen om de toeristen te kunnen voeden!

Zo heeft iedere bevolking zijn eigen eetgewoontes. Sommigen zijn zoals ik, carnivoren, anderen eten de zee leeg of worden vegetariër of veganisten.
Tot slot wil ik jullie ook nog het verhaal vertellen van de eerste en misschien de enige vegetarische hond, die wij ooit tegenkwamen.
Deze zomer, voordat wij naar de Middellandse Zee trokken, kampeerden wij eerst een weekje ergens ten zuiden van Anduze, langs de rivier de Gardon. Met de twee Nederlandse vegetarische campingbuurtjes en hun grote loebas labradorachtige hond Dusty, hadden wij onmiddellijk een prettige band. De twee mannen hadden een gezamenlijk punt van interesse gevonden en wisselden ideeën uit over de gezonde voeding volgens het boek ‘de voedselzandloper van Verburgh’. Ik noemde hun ondertussen al, de bende van Verburgh. De Nederlanders maakten alles, van ’s morgens de havermoutpap tot het vegetarisch ‘prakjesdiner’ klaar in een soort elektrische stoom- pruttelpot. De maaltijd bestond meestal uit gepureerde aardappelen vermengd met doosjesgroenten of macaroni met een vleugje van iets ondefinieerbaar. Van elke vegetarisch brij mocht die joekelhond de restjes uitlikken. Manlief  probeert, met het volgen van dit Verburgh- boek, zoveel mogelijk gezonde jaren aan zijn seniorenleeftijd toe te voegen. Alleen, beweert manlief, met de hand op zijn hart en zwerend op zijn communiezieltje, dat in het hoofdstuk, waarin staat hoeveel glazen rode wijn nog aanvaardbaar zijn om die gezonde levensstijl te kunnen volhouden, hij niet zelf handmatig de toegelaten hoeveelheden glazen per dag veranderde in flessen per dag! 
Enfin terug naar de camping in le Cardet. Wij zagen Dusty nooit genieten van hondenbrokken, een flinter vlees of een kluif.  En geloof het of niet, nog nooit hadden wij een hond zo snel de rivier zien overzwemmen en de oever zien opklauteren, toen zijn baasjes riepen: “Dusty, boterhammen met pindakaas!”  Dusty’s trouwe hondenblik scande kwijlend en bedonderd de lege campingtafel. Nog net zag ik boven zijn hondenkop een grote tekstballon verschijnen waarin stond: “Waf waf, vandaag toch geen ossenhaas, woef, woef, helaas weer pindakaas!”



Sim, 13 september 2016   Marseillan-Plage

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ik hoor heel graag van jullie wat jullie van mijn verhaaltjes vinden ?